[02-01-2004] Eiland zonder opvolgers

Drie Curaçaose schrijvers maakten twintig jaar geleden furore in Nederland. Hoe vergaat het Frank Martinus Arion, Tip Marugg en Boeli van Leeuwen en waar blijven hun opvolgers?

Vlakbij het vliegveld Hato ligt Campo Alegre, een met hoge muren omsloten hoerenkamp, waar prostituees uit heel het Caraïbisch gebied werken. Als je onder de poort doorloopt, zie je een bar en gokautomaten, en vrouwen in strakke kleren die met norse gezichten door de straten lopen. Boeboe Fiel, een van de hoofdrolspelers uit Dubbelspel, de roman waarmee Frank Martinus Arion in 1973 doorbrak, raakte hier in één avond al zijn geld kwijt en feestte zich er dronken. Vergeleken met het Campo Alegre dat Arion beschreef, lijkt er niets veranderd. Toch is er een verschil: het hoerenkamp is, bij wijze van experiment, op dinsdagavond open voor vrouwelijke bezoekers. Een ingrijpende gebeurtenis in de Curaçaose macho-cultuur. Om te voorkomen dat er te veel echtgenotes komen `spieden', is het gerucht verspreid dat zij die zich in het kamp wagen lesbisch zijn.

Dubbelspel gaat over vier dominospelers, die op een zondagmiddag tegen hun zin toch weer samenkomen onder de tamarindeboom om te spelen. Nog steeds zie je op Curaçao mannen aan tafeltjes onder een boom of in cafés fanatiek domino spelen. Ook de maatschappelijke situatie die Arion dertig jaar geleden beschreef, is nog actueel. Nog altijd zijn er Curaçaose moeders die, zoals Boeboe Fiels vrouw Nora, niet weten hoe ze aan eten en schoenen voor hun kinderen moeten komen. En ook nu wordt de vraag gesteld of Curaçaoënaars wel voldoende invloed hebben. ,,Wordt er werkelijk een poging gedaan om de zaak in eigen handen te nemen? Zie je niet overal nog Hollanders in topposities. En zie je niet Amerikanen in de topposities in de hotels? Wordt er aan morgen gedacht? Wordt er gepland? En waarom is iedereen tegen onafhankelijkheid?'' Janchi Pau, een dominospeler uit Dubbelspel, zegt het, maar het zou Anthony Godett anno nu kunnen zijn. ,,Als Dubbelspel nu zou uitkomen zou de politieke boodschap wél gelezen zijn'', zegt Frank Martinus Arion. Toen zijn boek uitkwam klaagde hij dat er wel lof was voor zijn literaire kwaliteiten, maar dat aan zijn politieke boodschap geen aandacht werd besteed. ,,Het artistieke vond ik vanzelfsprekend'', zegt hij nu. ,,En ik vond dat je dat artistieke moest gebruiken. Ik zal nooit een roman schrijven die niet maatschappelijk is. Daar krijg ik mezelf niet toe. Ik heb een renaissancistisch beeld van mezelf met een boek in de ene hand en een zwaard in de andere.'' Er is dan ook, vindt Arion, een groot verschil tussen hem en Nederlandse schrijvers: ,,In Nederland schrijft men om beroemd te worden. Ik schrijf om de wereld beter te maken.''

Frank Martinus Arion (67) is een van de drie Curaçaose schrijvers die in de jaren zeventig en tachtig furore maakten. De andere twee zijn Tip Marugg (80) en Boeli van Leeuwen (81). Ze schreven in het Nederlands maar hun boeken zijn on-Nederlands: die spelen zich af op de Caraïben, behandelen thema's als het leven tussen twee culturen en de tegenstelling tussen zwart en blank en ze zijn geschreven in een fantasierijke taal. ,,Met die Nederlands-Antilliaanse literatuur is iets bijzonders aan de hand'', constateerde Hans Maarten van de Brink toen hij in 1985 voor deze krant naar de West trok om de drie schrijvers te ontmoeten. ,,Duizenden kilometers van ons vandaan, in één van de `laatste resten tropisch Nederland' zoals W.F. Hermans schreef, leven een paar schrijvers die zoal niet tot de beste dan toch zeker tot de interessantste van ons taalgebied gerekend mogen worden.''

Tip Marugg debuteerde in 1958 met Weekendpelgrimage, het verhaal van een Curaçaose jongen die op een zondagnacht dronken aan de kant van de weg zijn leven overdenkt als blanke op een eiland van zwarten. Marugg is een dichter, ook als hij romans schrijft, zuinig als hij is met zijn zorgvuldig gekozen woorden. Zijn thema's, dood, drank, dromen en eenzaamheid, komen ook terug in zijn derde roman De morgen loeit weer aan waarvoor hij in 1988 werd genomineerd voor de AKO-prijs. ,,Het kan niet anders of Tip Marugg krijgt de AKO-prijs'', voorspelde deze krant. Hoewel Marugg de prijs niet kreeg, was hij vanaf dat moment ook bij een breed publiek bekend.

Boeli van Leeuwen publiceerde in 1959 zijn eerste roman, De Rots der struikeling, over een Curaçaoënaar die in een existentiële crisis raakt. Hij schreef nog vier romans, twee verhalenbundels en een verzameling columns. Zijn stijl, barok en doorspekt met bijbelse beeldspraak, wordt vergeleken met die van Zuid-Amerikaanse schrijvers als Gabriel García Márquez. Van Leeuwens laatste roman Het teken van Jona (1988), gaat over de dood en de aftakeling van het lichaam.

Vervreemding

Frank Martinus Arion schrijft nog altijd. Met zijn verhalenbundel De Eeuwige Hond uit 2001 bewees hij nog eens dat hij een knappe verteller is. Veel van die verhalen gaan over de vervreemding van de Curaçaoënaar. Arions romandebuut Dubbelspel geldt nog altijd als zijn beste werk. Tot zijn spijt. ,,Niet dat ik Dubbelspel niet goed vind, maar dat boek is te gemakkelijk, vooral als je de stukken over domino overslaat. Het is eenheid van tijd, plaats en handeling, dat werkt altijd. Wat ik leuk vind, is dat een hoogblond meisje uit Noord-Nederland mij een pakket foto's opstuurde en zei dat zij Solema wilde spelen, als het boek verfilmd wordt. En tijdens een lezing kwam een mevrouw naar mij toe die zei: `Meneer het boek heeft me ontzettend veel gedaan, ten slotte ben ik van hem weggegaan.' Dat bedoel ik: dat die vrouwen niet zien dat de vrouwen in het boek zwart zijn. Voor zulke lezers wil ik schrijven.''

Hij pakt E prens Chiki, de vertaling van De Kleine Prins in het Papiaments. ,,Ik wou dat ik dit geschreven had. Ik word gek van dit boek. Niet omdat ik dit meemaak, maar juist om de ervaring. In Nederland wil men zichzelf herkennen. Dat kan ik dus niet, daar heb ik geen behoefte aan.''

Boeli van Leeuwen en Tip Marugg zijn gestopt met schrijven. De schrijvers, ooit goed bevriend maar nu om onduidelijke reden gebrouilleerd, willen geen interviews meer geven over hun werk. Maar ze zijn toch ook weer te hoffelijk om een gesprek met een journaliste te weigeren.

Marugg, die niet meer publiceerde sinds zijn erotisch Papiaments woordenboek Dikshonario Erótiko dat begin jaren negentig verscheen, lijdt aan een erfelijke oogziekte die hem het schrijven onmogelijk maakt. Van Leeuwen, die zelf ooit schreef ,,het onvermogen om te scheppen is de totale verwording van de menselijke ziel'', vindt zichzelf te oud om nog te schrijven. Zijn laatste verhalenbundel, De taal van de aarde, verscheen in 1997. Omdat hij er voor wil waken zwakke dingen te schrijven, zegt hij, heeft hij zijn lier aan de wilgen gehangen. Maar hij schrijft nog wel verhalen in zijn hoofd.

Tip Marugg, die vroeger met zijn vier honden op het afgelegen landgoed Pannekoek woonde, en bekend stond als de heremiet van Pannekoek, woont nu in een villa in een buitenwijk van Willemstad. Tot zijn spijt zonder zijn honden, die hij niet meer kan verzorgen door zijn ziekte. Zeker voor iemand die als mensenschuw bekendstaat, onthaalt hij zijn onverwachte bezoek bijzonder hartelijk. Hij heeft erop gestaan dat zijn gast binnenkwam, en biedt iets te drinken aan. Wat, zijn gast wil een glas water? Ja, er is inderdaad veel water op dit eiland. Niet liever een glas wijn? Hij trekt onmiddellijk een fles open. Terwijl hij zelf drinkt van zijn whisky met bier, vertelt hij dat er, nu hij geen honden meer heeft, vaak dieven langskomen. Ze zijn nog nooit binnen geweest, maar ze hebben buiten wel een ladder meegenomen en lege vaten.

Hij is niet erg spraakzaam, maar uit wat hij zegt blijkt dat hij de situatie in Nederland op de voet volgt, via de televisie, die hier onder andere Nova uitzendt. Hij kan meepraten over voetbal, koningshuis en de schade die de Betuwelijn aan het landschap aanricht. Zelf was hij eens een aantal maanden in Nederland, vertelt hij, en hield het er door de kou nauwelijks uit. Pas nadat iemand hem had uitgelegd dat je je in de Nederlandse winter met jenever moet warmen, vond hij het er enigszins dragelijk. Maar hij is nooit meer teruggegaan, hij voelt zich thuis op Curaçao. Dat hij niet meer kan schrijven, vindt hij heel erg. Vooral voor hemzelf, want hij heeft nooit echt voor het grote publiek willen schrijven. Toch spreekt hij met enige trots over zijn nominatie voor de AKO-prijs. Het Nederlands vindt hij een van de mooiste talen – om in te schrijven dan, lacht hij, niet om te horen.

Rekenschapgevers

Boeli van Leeuwen, die van 1947 tot 1949 in Nederland rechten studeerde, is er sinds 1966 niet meer terug geweest. Hij houdt niet van vliegen, zegt hij, en een reis per boot, over een oceaan vol onzichtbare beesten, trekt hem evenmin. Wel gaat hij nog geregeld naar hotel Avila Beach, waar hij met Nederlandse gasten praat. Van Leeuwen spreekt even bloemrijk als hij schrijft. Associatief en met gevoel voor humor. Hij houdt van barokke taal, zegt hij. Daarom volgt hij met plezier de Vlaamse politieserie Flikken. Hij maakt zich wel zorgen dat het Nederlands steeds minder goed wordt onderwezen. En ook met de kennis van godsdienst gaat het tot zijn spijt achteruit. Uit zijn boekenkast trekt hij The Gospel according to the son van Norman Mailer. Dit moet u lezen, zegt hij, het is prachtig.

In zijn bundel Geniale Anarchie beschrijft Van Leeuwen aandoenlijk de gevolgen van zijn ouderdom. Hoe hij `respectabele dames' begint aan te spreken met `sweetie pie, sugarplum en cupcake' en dat hij steeds pennen, zonnebrillen en aanstekers verliest. Dat kwijtraken van dingen, zegt hij, is er niet beter op geworden. Als ik hem enkele weken na ons gesprek opbel, is hij vergeten dat we elkaar ontmoet hebben. Hij wijt het aan de aderverkalking. Growing old is no fun, hij weet het zeker.

De drie gevierde Curaçaose schrijvers hebben geen opvolgers. Er zijn nog wel Antilliaanse schrijvers, zoals Erich Zielinski, van wie vorige maand op Curaçao de roman De Engelenbron verscheen. En er zijn dichters, zoals Walter Palm en Carel de Haseth. Maar hun werk heeft niet hetzelfde niveau, erkent De Haseth: ,,Ik sta beslist in hun schaduw. Overigens wel zo handig in de tropen.'' ,,Het wordt ons wel verweten'', zegt Arion, ,,dat we geen opvolging hebben. Maar dat is een materialistische visie op kunst, dat een land altijd alles op hetzelfde moment moet hebben; dichters, schilders, schrijvers.'' Nog altijd zijn er `ladingen Antillianen' die met boeken rondlopen. ,,Ik krijg ze soms ook wel te lezen. Het zijn meestal rekenschapgevers, mensen die wat te vertellen hebben. Helaas, als het er op aan komt lukt het ze niet het op te schrijven. Hun boek komt wel uit, maar het is geen literatuur.''

De belangrijkste reden, volgens Arion, is de gebrekkige kennis van het Nederlands. ,,Nederlands is voor ons moeilijk te beheersen. Ik vertel altijd een grote mop van Curaçaose studenten in Nijmegen die door hun hospita op een kerstdiner werden getrakteerd. Na het eten ging een van hen bedanken en zei: `Het was net als thuis en bedankt voor het kalkoentje.' De hospita antwoordde: `Zeg rustig kalkoen, hoor'. Maar Antillianen gebruiken het verkleinwoord omdat ze vaak niet weten of iets `de' of `het' is, en als je het verkleinwoord gebruikt is het altijd `het'. Met handen en voeten proberen ze zich er doorheen te slaan. Serieus, het is heel erg.'' Arion wijt de gebrekkige beheersing van het Nederlands aan het onderwijs. Terwijl de meeste Curaçaoënaars thuis Papiaments spreken, een mengeling van Afrikaans, Spaans, Portugees en Nederlands, krijgen ze op school in het Nederlands les. Arion is ervan overtuigd dat Curaçaoënaars beter Nederlands zouden spreken als ze les zouden krijgen in het Papiaments met Nederlands als vreemde taal. Daarom heeft hij het papiamentstalige Erasmo College opgericht. ,,Op andere scholen leren kinderen Nederlands als een boekentaal, hier leren ze het vanuit hun moedertaal. Een uitdrukking als `weet ik veel' kun je nooit leren als je niet uitgaat van Papiaments. Pas als je het Nederlands goed kent en je voelt je zeker, dan pas kun je schrijven.''

We en wij

Als hij zelf geen Nederlands had gestudeerd, zegt Arion, zou hij zich ook veel ongemakkelijker hebben gevoeld bij het schrijven. Hij begon zijn studie ,,om te weten te komen of Nederlanders de goden waren die ze dachten te zijn''. Het duurde bijna vier jaar voordat hij zijn scriptie af had, omdat hij moest uitzoeken wat het verschil is tussen `we' en `wij', de zwakke en de sterke vormen. ,,De sterke vorm heb je nodig om de groep te bepalen. Je kunt niet zeggen `we tweeën gaan dit doen'. Dat is heel moeilijk voor Antillianen. Er zijn essentiële regels in de taal die verplicht zijn en toevallige grammaticaregels die creatieve ruimte openlaten. Zoals Nijhoff met `De moeder, de vrouw'. Dat moet je, als Nederlands niet je moedertaal is op een andere manier uitvinden. Dat kost veel Antillianen moeite.'' Inmiddels zitten er zo'n 500 leerlingen op de Erasmoscholen voor peuters, kleuters, basisschool- en mavoleerlingen. ,,Met de regering-Godett zijn wij een pilotschool geworden'', zegt Arion. ,,Het past in hun visie dat ze van onder tot boven het Papiaments gaan erkennen. Dus komend jaar beginnen we ook met een havo-vwo. Ik denk dat er meer schrijvers zullen opstaan als men zich zeker voelt in het Nederlands.'' Aan het Waaigat in Willemstad ligt de openbare bibliotheek van Curaçao. In de kasten met boeken die leerlingen voor hun lijst moeten lezen, de buki di èksamen, staan twee boeken van Tip Marugg ingeklemd tussen Margriet de Moor en Hannes Meinkema, verschillende boeken van Frank Martinus Arion naast Mariken van Nieumeghen en drie boeken van Boeli van Leeuwen. ,,De Antilliaanse schrijvers worden veel gelezen'', verzekert de dame van de uitleen. ,,Voor de lijst, maar ook voor de lol.'' Hoewel, dat laatste doen alleen Nederlanders. ,,Curaçaoënaars houden niet van lezen.'' Het geringe aantal boekwinkels op het eiland, waarvan de meeste meer tijdschriftkiosk, ondersteunt haar bewering.

,,Curaçaoënaars lezen niet meer in het Nederlands'', nuanceert Emy Maduro, hoofd van de afdeling Caraïbische literatuur en interimdirecteur van de bibliotheek. ,,Als we met onze bussen de wijken inrijden, is de eerste vraag: `Heeft u boeken in het Papiaments? Of anders in het Engels of Spaans?''' Het Nederlands, zegt ze, is eigenlijk maar korte tijd dominant geweest op Curaçao. ,,Voordat Shell zich begin vorige eeuw op het eiland vestigde, sprak men hier alles behalve Nederlands. Er was maar één Nederlandse school op het eiland. Pas in 1935 werd het Nederlands verplicht op alle scholen.'' Maar de fraters die de scholen leidden en de Nederlandse onderwijzers vertrokken en de status van het Papiaments groeide. Tegenwoordig, zegt Emy Maduro, ,,manifesteren Engels en Spaans, de taalomgeving van eeuwen, zich meer en meer. Studenten die naar Nederland gaan spreken daar Nederlands, maar vergeten het weer als ze terug zijn.'' Dat Curaçao maar enkele grote auteurs heeft voortgebracht verklaart Emy Maduro ook uit het gebrek aan schrijftraditie. ,,Wij hebben een orale cultuur. Dat stamt nog uit de slaventijd. Toneel is hier populairder dan literatuur met een grote `L'.'' Curaçao, stelt ze, is een klein eiland met een mondelinge overlevingscultuur. ,,Als we al verhalen schrijven, schrijven we korte verhalen.'' Ze noemt Diana Lebacs, die kinderboeken schrijft als Caimins geheim uit 2001, over een jongen die verstrikt raakt in de drugshandel. En ze noemt de papiamentstalige schrijver Barche Baromeo en dichters Marie-Céline Hendrikse, Elis Juliana en Henry Habibe.

Net zo min als Emy Maduro delen Boeli van Leeuwen en Tip Marugg het optimisme van Arion over de toekomst van de Nederlandstalige Antilliaanse literatuur. We staken elkaar aan, zegt Boeli van Leeuwen. Als wij dood zijn is het voorbij, glimlacht Marugg. Als oorzaak noemt hij het oprukken van het Papiaments. Van Leeuwen spreekt van een eiland zonder opvolgers. Ze lijken het gebrek aan opvolging niet echt te betreuren. In zoverre hebben ze gelijk, dat hun werk, net als Dubbelspel, niets aan kracht heeeft ingeboet. Herlees Van Leeuwens Teken van Jona of Maruggs gedicht `Cartomantica':

Ik heb melk gedronken
en een berg beklommen
maar vond niet het hazepad
waar Eros had gesluimerd.
Tussen twee paardenpoten door
had de avondwind gewaaid
tot op mijn ruige borst.
Zo te sterven.
Tussen de harde rotsen
Met het zonlicht in mijn ogen.

Gepubliceerd in:
achtergrond