'De walvissen zijn het grootste gevaar'

Bouwe Bekking.
Door onze redacteur Rob Schoof

Zeezeiler Bouwe Bekking begint vandaag in Alicante aan zijn zesde Ocean Race. Over hoe hij op zee de wereld zag veranderen en bevriend raakte met de koning van Spanje.

Bouwe Bekking had geen flauw benul wat hem te wachten stond toen hij in 1985 als 22-jarige aan boord stapte van de Philips Innovator van schipper Dirk Nauta, voor zijn eerste zeilrace rond de wereld. Hij had net zijn diploma van de Zeevaartschool in Delfzijl op zak, maar de koopvaardij was geen partij voor het echte werk: de oceanen over in een zeilboot. Dat hij met zijn eerste Whitbread Round the World Race geen cent verdiende, veranderde daar helemaal niets aan. „We spraken daar niet eens over”, zegt Bekking. „Je deed het gewoon, het was avontuur. Ik geloof dat we na de race een videorecorder en een televisie kregen.”

De jongen die ooit leerde zeilen op de IJssel, vlak achter zijn ouderlijk huis in Deventer, begint vandaag als 45-jarige schipper van een Spaans jacht in Alicante aan zijn zesde Ocean Race. Geen Nederlander zeilde zo vaak rond de wereld als hij. Toch is Bekking in Spanje een bekende Nederlander, in Nederland niet. En dat komt niet alleen omdat hij Juan Carlos de Borbón tot zijn vriendenkring mag rekenen, beter bekend als de koning van Spanje. Bekking is verantwoordelijk voor de miljoenenoperatie van Telefónica, dat de race met twee boten vaart. Zelf staat hij de komende negen maanden aan het roer van Telefónica Azul, de blauwe boot van het telecombedrijf – want uiteindelijk draait het hem allemaal om één ding: de zee.

Bekking deed tijdens zijn vijf eerdere monstertochten niet alleen een schat aan ervaring op, hij zag de wereld veranderen. „In mijn eerste Round the World Race hebben we precies één walvis gezien”, zegt Bekking op de Telefónica-werf in de oude haven van Alicante. „Nu zie je op zee elke dag walvissen. Je kunt zien dat al die acties hebben geholpen. Voor zeiljachten zijn walvissen zelfs het grootste gevaar. Begin dit jaar waren er twee Atlantische races waar bijna alle boten met walvissen in aanvaring kwamen.”

Bekking zag ook de boten drastisch veranderen. De Innovator werd destijds beschouwd als een spartaans schip, voor de generatie van nu was het pure luxe. „We hadden een keuken aan boord, met een oven. Er zaten zelfs deuren tussen de compartimenten.” Nu zijn de boten van elke luxe ontdaan; alles wordt geofferd om het gewicht van de boot te beperken.

Ook de zeilers veranderden. Zeebenen hebben ze nog steeds, maar de avonturiers en waaghalzen van toen zijn nu pure professionals. „Het eerste wat zeilers nu vragen als je met ze gaat praten, is hoeveel ze gaan verdienen.” Bekking leerde op dat gebied veel van Dennis Conner. In de Whitbread van 1993-’94 zeilde hij aan boord van de Winston met de Amerikaanse zakenman die vier keer de America’s Cup won. „Een legende”, zegt Bekking. „Hij zeilde voor het geld, wilde overal zijn voordeel uithalen. Van elke tien dollar die in de campagne werd gestopt gingen er zes naar hem. Hij paste wel goed op ons zeilers, maar zei ook: we moeten winst maken en die is voor mij. Hij was één van de eersten die zeilen zag als business.”

De omslag naar de hightechjaren was toen al begonnen. „Op de Innovator kregen we één keer per dag een weerkaart binnen met een hogedrukgebied en een lagedrukgebied erop. Dat was het. Daarmee stippelde je een koers uit.”

Dat avontuur is al lang verdwenen uit de race. Bekking: „Het is gewoon een baan geworden. We volgen alles met computers. Destijds ging de bemanning na binnenkomst drie weken op vakantie. Een week voor de start van de volgende etappe kwamen we terug om nog wat te sleutelen, het dek te schilderen. Dat deden we allemaal zelf, er was geen shore crew. Nu werken zestig mensen voor ons.”

En die vakantie blijft beperkt tijdens de tussenstops. De bemanning volgt eerst vijf dagen gezamenlijk, onder strikt medische controle, een herstelprogramma. „Je loopt nauwelijks aan boord. Na drie weken ben je bijna de hele spiermassa in je benen verloren, als na een knieoperatie.” Maar de medische staf houdt ook in de gaten of een zeiler niet twee biertjes te veel drinkt, die het herstel verstoren.

Bekking geniet vooral van het zeilen zelf. Hij kan dromen van een vliegende race in een heldere nacht met volle maan, en windkracht 8 – met volledige controle over de boot, zoals drie jaar geleden in de buurt van Kaap Hoorn.

Bekking was toen schipper op de Spaanse Movistar in een race die dramatisch afliep in het voorjaar van 2006. Midden op de Atlantische Oceaan liep de boot vol water door problemen met de kiel. Bekking vroeg assistentie aan de bemanning van ABN Amro II, die kort daarvoor hun collega Hans Horrevoets uit zee had gehaald. Met een zware storm op komst gaf Bekking zijn bemanning opdracht over te stappen op de Nederlandse boot. „Die nacht sloegen de golven bij een veerboot tussen Frankrijk en Engeland de ruiten uit de brug, 25 meter boven het water. We hadden geen keus. Het was heel bizar voor die jongens van ABN Amro II: ze verloren iemand, maar redden tien andere levens.”

Het drama drukte ook Bekking met zijn neus op de feiten. Met alle hypermoderne apparatuur mag het avontuur grotendeels verdwenen zijn, risico’s blijven. „De race is relatief veilig, maar iemand verliezen is het grootste risico. Dat is mijn grote nachtmerrie, één van mijn jongens verliezen. Als ik dan naar de familie zou moeten om het te vertellen – ik hoop dat nooit mee te maken. Dat is waar ik het meest bang voor ben.”

Schippers staan constant voor het dilemma tussen hard zeilen en veilig varen. Ook Bekking zeilde wel eens „volslagen roekeloos” – zoals zes jaar geleden, ook bij Kaap Hoorn, met windkracht 6, en meer dan dertig ijsbergen op de radar. Waanzin, vond hij. „Soms denk je: we moeten mee, die andere boot gaat ook. Je wilt winnen. Maar soms moet je gas terugnemen om te voorkomen dat je mast eraf gaat, of dat je mensen iets overkomt. Ik ben geregeld bang. Bijvoorbeeld als je met veel wind vaart, en je hebt de hele dag walvissen gezien. Ze slapen aan de oppervlakte. Je kunt er bovenop varen.”

Die eerste reis rond de wereld, op de Innovator, was ook Bekkings laatste op een Nederlandse boot. Daarna zeilde hij op andere jachten met de beste zeilers ter wereld, zoals de Nieuw-Zeelanders Grant Dalton en Brad Butterworth en de Amerikanen Paul Cayard en Dennis Conner.

Even koesterde Bekking olympische ambities, voor de Spelen van Atlanta (1996). Maar zijn project in de Star-klasse, met Vincent Geijsen, liep stuk op de financiën. „We zeilden in Loosdrecht, zelfs op de Kralingse Plas, ik woonde in Rotterdam. We hadden een geleende boot, maar het was te duur. Na zes maanden zijn we gestopt.”

Kort daarna kwam Bekking in contact met de Spaanse zeilwereld. Een Deense zeilmaker vroeg Bekking eens mee te zeilen op het Spaanse jacht van koning Juan Carlos, een fervent zeiler die in 1972 meedeed aan de Olympische Spelen. „Ik moest meehelpen en de koning een beetje coachen. Daarna kreeg ik een uitnodiging. Een maand later was ik vast bemanningslid bij hem aan boord.”

Bekking en Juan Carlos werden goede vrienden, die zes tot zeven keer per jaar samen meedoen aan wedstrijden. De koning is dan schipper, Bekking de stuurman. „Eén van de redenen waarom wij een goede relatie hebben is dat ik hem gewoon als zeiler behandel”, zegt Bekking. „Zodra hij aan boord is, is hij gewoon een van de maatjes, een echte zeilvriend. Dat is één van de redenen waarom hij het zeilen zo fantastisch vindt: hij kan helemaal zichzelf zijn. Hij is een waanzinnig goede zeiler.”

De koning speelt een belangrijke rol in de Spaanse zeilwereld. „Als hij aan boord is, draait alles om hem. Niet omdat hij dat wil, zo is hij niet. Dat doen de media. Maar voor de zeilsport is die aandacht waanzinnig goed. Hij doet geweldig werk. Er gaan deuren voor hem open, Spanje haalt allerlei zeilevenementen binnen, zoals de America’s Cup en de start van de Ocean Race.”

Het past volgens hem in de rol van Spanje als voortrekker in Europa, niet alleen sportief, ook cultureel. „Spanje geeft belastingvoordelen aan bedrijven die willen instappen, het wordt sponsors makkelijk gemaakt.”

De Spaanse pers spreekt Bekking nog wel eens aan op zijn vriendschap met de koning. „Maar ik bespreek dit soort dingen nooit met de Spaanse pers. Dat is te dichtbij. Tegen een Spaanse journalist zeg ik : geen commentaar.”

Hij kwam in Spanje ook in contact met Telefónica, waar hij werd aangesteld als directeur van het project met twee boten. Dat was een verplichting van sponsor Volvo bij de toewijzing van Alicante als startplaats. „Dan kon Volvo meteen zeggen dat er al twee inschrijvingen waren. Met twee boten zijn wij 25 procent van de hele vloot.”

Bij Telefónica werkt Bekking met een budget van twintig tot dertig miljoen euro. De Spanjaarden maken veel werk van het omsmeden van olympische zeilers tot offshore-zeilers. „Wij hebben nu vier gouden en ook nog wat andere olympische medaillewinnaars op onze twee boten. Eén boot is vrijwel helemaal Spaans, de ander is zestig procent Spaans. Daar zitten wat zij noemen de Zidane’s en Ronaldinho’s, de buitenlanders die hun zeilers beter maken.”

Van al het reizen krijgt Bekking nog niet genoeg, ook al leeft hij maanden in een hotel in Alicante, zonder zijn vrouw en dochtertje. „Ik geef er veel voor op. Het moeilijkste is dat ik heel lang van huis ben. Maar de voordelen winnen het nog steeds van de nadelen. We zijn ontzettend vrij, we reizen rond de wereld, mijn vrouw reist mee. We hebben een fantastisch leven, dat vindt zij ook. We hebben een goed inkomen.”

Mede door zijn buitenlandse connecties kwam Bekking nooit meer terecht op een Nederlandse boot. Wel is hij blij met de komst van Team Delta Lloyd. Van een Nederlandse ‘houtje-touwtje-campagne’ wil hij niets horen, ook al stapte Delta Lloyd pas vorige maand in de race. „Ik denk dat ze een fantastische deal hebben. Als het vijf miljoen euro kost, verdienen ze dat minimaal zes of zeven keer terug. Een koopje.”

Hij zou wel eens met een Nederlandse boot willen meedoen, maar veel contacten heeft hij niet meer in de Nederlandse zeilwereld. „Als je elke week in Scheveningen vaart is dat misschien anders. Ik hoop dat die Nederlandse boot er weer komt. Er zijn genoeg multinationals en genoeg zeilers.”

Gepubliceerd in:
Volvo Ocean Race
achtergrond
achtergrond