Geschiedenis van de Hofmans-affaire
Rotterdam, 11 nov. Met de openbaarmaking van het rapport van de commissie-Beel komt een einde aan vijf decennia speculeren over aard en omvang van de crisis die in 1956 de Nederlandse monarchie op haar grondvesten deed schudden.
Het optreden van gebedsgenezeres en helderziende Greet Hofmans leidde in dat jaar tot een ernstige crisis op paleis Soestdijk. Het huwelijk van koningin Juliana en prins Bernhard – de één discipel van Hofmans, de ander verklaard vijand – stond op springen. Daarnaast leek de invloed van Hofmans zich uit te strekken tot staatszaken, wat tot woede leidde in politiek Den Haag.
De totaal verziekte sfeer aan het hof was op 13 juni 1956 in de openbaarheid gekomen met een publicatie in het Duitse tijdschrift Der Spiegel. Om er achter te komen wie had 'gelekt' naar het weekblad en wat precies de invloed van Hofmans op Juliana was, namen drie ‘wijze mannen’ de taak op zich de kluwen van wederzijdse verwijten en verdachtmakingen te ontwarren. Zij hadden zichzelf bij Bernhard en Juliana aangeboden, die hen vervolgens formeel om dat onderzoek vroegen.
Voorzitter van het driemanschap was voormalig premier Louis Beel, die al als mediator was opgetreden toen zich huwelijksproblemen hadden voorgedaan tussen koningin en prins door de bemoeienissen van Hofmans en haar paladijnen. De andere leden van de commissie waren Pieter Sjoerds Gerbrandy, premier in ballingschap tijdens de Tweede Wereldoorlog, en de voorlaatste gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, jonkheer Alidius Tjarda van Starkenborgh Stachouwer.
De commissie ging voortvarend aan het werk, zo blijkt uit de stukken die vanmiddag gepresenteerd worden als bijlage in het boek Juliana en Bernhard. Het verhaal van een huwelijk, de jaren 1936-1956, van historicus en Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur. Het kabinet en premier Drees waren in de instelling van het driemanschap aanvankelijk zelfs niet gekend.
De commissie kwam 28 maal bijeen. De gesprekkenreeks begon op 2 juli op paleis Soestdijk. Er werd achtereenvolgens gepraat met de koningin, de prins en prinses Wilhelmina. Ook de moeder van Bernhard, prinses Armgard, werd ondervraagd. In totaal werd met meer dan 25 mensen gesproken, met sommigen zelfs twee keer.
Uit de stukken van de commissie blijkt dat het aantal gehoorde getuigen dat op de hand was van de prins, beduidend groter was dan het aantal mensen uit het kamp van Juliana. Van gesprekken met drie van de vier hoofdrolspelers – Juliana, Wilhelmina en Greet Hofmans – zijn verslagen overgeleverd. Van Bernhard is enkel een nota van zijn hand bewaard.
Juliana vertelde de commissieleden dat ze ervan overtuigd was dat Bernhard haar leven opzettelijk tot ‘een hel’ maakte. Door haar te treiteren, hoopte hij haar krankzinnig te maken, waarna Beatrix als een ‘marionet-koningin’ van Bernhard en diens moeder Armgard de troon kon bestijgen. Het driemanschap vond hiervoor geen bewijs.
Al op 24 augustus 1956 presenteerde de commissie-Beel haar eindrapport. Het lekken naar de pers kon niet direct aan Bernhard worden toegeschreven. De prins was echter wel de bron van het verhaal, zoals hij voor zijn dood toegaf in een interview aan de Volkskrant. Het oordeel over de rol die Hofmans aan het hof speelde, was wel keihard. Zij diende het veld te ruimen, net als haar trouwste aanhangers. Juliana stribbelde nog wel een aantal maanden tegen voordat ze aan deze eisen gehoor gaf.
In de vijftig jaar na de vervaardiging van het rapport, bleven de stukken opgeborgen in het Koninklijk Huis Archief (KHA), dat wordt beheerd door koningin Beatrix. Zij ging niet in op verzoeken van historici als Lambert Giebels en Hans Daalder om toegang tot de documenten, omdat ze van mening was dat het hier om privépapieren ging.
Op 25 januari 2005 nam de Tweede Kamer een motie aan die was ingediend door Ella Kalsbeek (PvdA) en Boris Dittrich (D66). De kamer verzocht alle stukken berustend op het KHA „die (mede) betrekking hebben op de uitoefening van de functie van het staatshoofd net als andere overheidsarchieven over te brengen naar het Nationaal Archief”. Als voorbeeld noemde de Kamer het rapport van de commissie-Beel.
Premier Balkenende stemde in met de motie, maar bestreed dat die van toepassing was op de stukken over de affaire-Hofmans. Hij deelde de analyse van koningin Beatrix dat het hier om privépapieren ging. De rechterlijke macht – Giebels had een zaak aangespannen om de archieven te mogen inzien – was eenzelfde mening toegedaan.
De koningin staat in de zomer van 2005 historicus en Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur toe „vrijelijk, dus zonder voorbehoud” het KHA-materiaal te gebruiken. In het voorwoord van zijn boek Juliana en Bernhard. Het verhaal van een huwelijk, de jaren 1936-1956 schrijft hij: „H.M. de Koningin wilde een zo groot mogelijke afstand tot de inhoud van het boek bewaren en heeft daarom van de tekst tevoren geen kennis genomen.”
