Marktwerking in het klimaat
Als de vervuiler moet betalen, kan een schoon bedrijf lagere prijzen vragen. Dat maakt een markt voor uitstootrechten van kooldioxide lucratief en nuttig. In theorie.
Rotterdam, 12 dec. Een ton kooldioxide kost vandaag 14,78 euro. Dat is volgens Pointcarbon, een bedrijf met gespecialiseerde kennis van de handel in kooldioxide, 28 cent meer dan gisteren en 10 euro minder dan in juli. Daarvoor koop je geen kooldioxide, maar het recht om kooldioxide te lozen. Met dit systeem van emissiehandel gaat de geïndustrialiseerde wereld de opwarming van de aarde te lijf. Op termijn moet zo het klimaat worden gered.
Emissiehandel vormt ook de inzet van het moeizame klimaatdebat tussen de EU-leiders, dezer dagen in Brussel. Ze moeten het eens worden over een ambitieus klimaatpakket. Maar sommigen vragen zich af of emissiehandel, die daarvan een belangrijk element is, kan worden ingevoerd zonder dat het te veel geld kost. Als in Brussel op die vraag geen adequaat antwoord komt, dreigt ook de grote klimaatconferentie in Poznan – die bijna is afgelopen – te mislukken. Want als Europa niet beweegt in Polen, zal niemand dat doen.
Emissiehandel, waarmee de marktwerking is geïntroduceerd in het klimaatbeleid, is een Amerikaanse vinding, gebaseerd op het principe dat de vervuiler betaalt. Bedrijven en elektriciteitsmaatschappijen mogen een vooraf vastgestelde hoeveelheid kooldioxide produceren. Gaan ze daaroverheen, dan kopen ze rechten bij, blijven ze eronder, dan verkopen ze het restant. Bedrijven die niet energiezuinig produceren en elektriciteitscentrales die energie met steenkool opwekken hebben veel emissierechten nodig, waardoor hun producten duurder worden.
Via zo’n handelssysteem bonden de Amerikanen in de jaren tachtig van de vorige eeuw de strijd aan met zure regen. Terwijl Europa met wetgeving en milieubelastingen bedrijven dwong de uitstoot terug te dringen van de stoffen die zure regen veroorzaken, lieten de VS de markt het werk doen. En met succes, de zure regen was in Amerika veel sneller verdwenen dan in Europa.
Vandaar dat de Amerikanen in 1997 weigerden het Kyoto-protocol, over het terugdringen van broeikasgassen, te accepteren als daarin niet de mogelijkheid van emissiehandel werd opgenomen. In Europa was het vertrouwen in de markt als zelfregulerend principe voor klimaatbeleid gering. Maar de Amerikaanse president Bill Clinton maakte duidelijk dat hij zonder marktwerking het Congres nooit zou kunnen overhalen tot ratificatie van welk klimaatverdrag dan ook. Dus ging Europa schoorvoetend akkoord. Voor zichzelf zagen de Europeanen – mede onder druk van machtige milieuorganisaties – slechts een bescheiden rol voor emissiehandel. Goede wetgeving, dacht men nog steeds, zou vanzelf leiden tot schone energie, zuinige productie en milieuvriendelijk transport.
Een paar jaar later was alles anders. President George Bush verwees in 2001 het Kyoto-protocol naar de prullenbak. En de Europese Unie kwam erachter, zeker toen de VS waren afgehaakt, dat klimaatdoelstellingen moeilijk te rijmen zijn met onbelemmerde economische groei. Om de zaak te redden deed Europa een steeds groter beroep op marktwerking, vooral via de emissiehandel.
Maar de Europese aanpak heeft tot nu toe amper gewerkt. Daarvoor zijn de Europese emissierechten veel te goedkoop.
Ruim veertien euro om één ton CO2 uit te stoten (jaarlijks produceert de wereld bijna 40 miljard ton) is te weinig om een bedrijf te prikkelen tot energiezuinig produceren, zegt Rob Lake, hoofd duurzame investeringen van de APG-groep, ’s werelds grootste pensioenverstrekker. Lake was deze week in Poznan om met andere institutionele beleggers (samen goed voor 9,5 biljoen dollar) te pleiten voor een stevig klimaatakkoord met bindende afspraken.
Aanvankelijk wilde Europa de emissierechten veilen. Maar onder druk van het bedrijfsleven dat vreesde voor een aantasting van de internationale concurrentiepositie werden ze gratis weggegeven. Bovendien besloot Brussel om het systeem te decentraliseren. De lidstaten mochten tot op zekere hoogte zelf bepalen hoeveel emissierechten ze weggaven. De landen deelden zo rijkelijk uit dat er een fors overschot ontstond, waardoor de prijs laag bleef.
Toch zijn de meeste betrokkenen nog steeds optimistisch over de mogelijkheden van het emissiesysteem. Volgens emissiehandelaar Louis Redshaw is handel in kooldioxide een van de snelst groeiende markten. Vorig jaar sprak hij in The New York Times de verwachting uit dat de markt over tien jaar gegroeid zal zijn tot één biljoen dollar. In 2007 ging er 30 miljard dollar in om, dit jaar naar schatting 60 miljard.
Rob Lake van APG-groep gelooft dat een klimaatakkoord goed is voor het bedrijfsleven. De kredietcrisis zorgt weliswaar voor een dip, maar die zal tijdelijk zijn. Het klimaatakkoord dat eind volgend jaar in ‘Kopenhagen’ gesloten moet worden, treedt niet voor 2013 in werking. Tegen die tijd zijn volgens Lake de ergste gevolgen van de financiële crisis achter de rug, zal de economie aantrekken en zullen de olieprijzen weer stijgen. Emissiehandel kan dan een impuls geven aan klimaatbeleid én aan de economie.
Mits het systeem goed werkt. En ondanks de optimistische geluiden die nu klinken in Brussel, wijst niets erop dat dit gebeurt. Het ambitieuze klimaatpakket (20 procent reductie in 2020) dat de lidstaten hadden afgesproken dreigt deels onderuit geschoffeld te worden. Landen als Polen, Duitsland en Italië, die kampen met verouderde elektriciteitscentrales of een wankelende auto-industrie, ze beschouwen een kostbaar klimaatbeleid in tijden van crisis als een onacceptabele luxe.
Het bedrijfsleven denkt daar anders over. In Poznan pleitten 140 multinationals – variërend van Unilever tot BP en Sun Microsystems – voor een duidelijk klimaatbeleid: „We leven in een tijd dat de stagnatie van de wereldeconomie de vraag oproept of dit wel een geschikt moment is om iets te ondernemen, toch denken wij dat resolute actie wereldwijde economische activiteit zal stimuleren.”
Dat werkt alleen als ook iedereen meedoet. In Europa bestaat de vrees dat zij straks een fraai opgetuigd emissiehandelsysteem hebben en dat bedrijven hun heil gaan zoeken in landen waar ze voorlopig ongebreideld hun kooldioxide kunnen lozen. Dan is het klimaat nog steeds niks opgeschoten.
