Versieren is geen misdaad meer [archief 20 maart 2009]

Door Bernard Hulsman

Uitbundig gedecoreerde gevels mogen weer, na een ‘verbod’ van honderd jaar. ‘Fusion’ mixt Byzantijns met Amsterdamse School.

Er kruipen weer dieren over de gevels. Op het bijna voltooide Jatopa-complex, een groot bakstenen woningblok in Amsterdam Slotervaart, wemelt het van de ooievaars, papegaaien, vissen, giraffen en andere dieren. Het zijn vaak dezelfde dieren: ze zijn seriematig in het beton gegoten, in door Studio Job ontworpen panelen en balken onder en boven de ramen. Er zijn ook panelen met helikopters, raderen en andere artefacten in de gevels geplaatst.

De dieren en raderen op het Jatopa-complex, van Köther Salman Koedijk architecten, zijn geen uitzondering meer: het ornament is terug in de Nederlandse architectuur. Steeds vaker worden gebouwen versierd, zoals in alle eeuwen voor de twintigste eeuw gebeurde. Zo is ook de vorig jaar opgeleverde uitbreiding van de schouwburg in Haarlem overwoekerd met versieringen, in dit geval organische keramische elementen en abstracte patronen in beton. Voor de ornamenten van deze nieuwbouw van Erick van Egeraat nam vormgeefster Babs Haenen de versieringen van het oude theater, van J.A.G. van der Steur uit 1918, als uitgangspunt.

Voor Van Egeraat zijn ornamenten inmiddels vanzelfsprekend. Al een jaar of twaalf geleden liet hij het strenge neomodernisme van zijn vroege werk achter zich en ontwikkelde hij een eigen stijl, die hij neobarok doopte en die in de loop der jaren steeds uitbundiger werd. Maar ook Nederlandse architecten die niets zien in Van Egeraats neobarok, laten steeds vaker ornamenten toe in hun werk. In Marlies Rohmers De Matrix, een school in Hardenberg, bepaalt een groot decoratief blokkenpatroon zelfs het beeld. Hier is het ornament gebouw geworden.

De terugkeer van het ornament in de Nederlandse architectuur valt, opmerkelijk genoeg, samen met het eeuwfeest van Ornament und Verbrechen, de beroemde lezing uit 1908 waarin de Weense architect Adolf Loos (1870-1933) het ornament in de ban deed. In de loop van de twintigste eeuw is deze lezing in vele talen vertaald en groeide het briljante essay uit tot een sleuteltekst van het twintigste-eeuwse modernisme. Ornament und Verbrechen werd zelfs zo invloedrijk dat Loos later, toen hij was teruggekeerd naar een modern classicisme, het succes ervan betreurde. Maar toen was het al te laat, de geest was uit de fles. De slagzin ‘ornament is een misdaad’ had zich in de hoofden genesteld van alle moderne architecten die streefden naar een zakelijke vormgeving.

In Ornament und Verbrechen gebruikt Loos twee argumenten tegen ornamenten in architectuur en vormgeving. Het eerste is economisch. „Het ornament is verkwisting van arbeid en daardoor verkwisting van gezondheid”, schrijft Loos. Onderbetaalde arbeiders vervaardigen met veel moeite ornamenten die, goed beschouwd, volstrekt overbodig zijn, vond hij. Eenmaal vervaardigd, raken ze binnen een paar jaar uit de mode en worden ze verwijderd.

Het economische argument is niet sterk. Ze hebben weliswaar geen direct economisch nut, maar wel een esthetisch doel. Aan gevels zorgen ze bijvoorbeeld voor reliëf en details die saaiheid voorkomen. En mode doet ook bij strakke gebouwen en gebruiksvoorwerpen zonder tierelantijnen onverbiddelijk haar werk, zo heeft de twintigste eeuw geleerd. Je zou het juist als een teken van beschaving kunnen beschouwen dat men geld en arbeid over heeft voor ornamenten en andere overbodigheden.

Veel effectiever is Loos’ tweede, morele, argument tegen versieringen: het ornament is een teken van degeneratie. Ornamenten zijn iets voor primitieve volkeren en misdadigers, schrijft Loos. „De Papoea tatoeëert zijn huid, zijn boot, zijn roeispaan en alles wat hem voorhanden komt. Hij is geen misdadiger. De moderne mens die zich tatoeëert is een misdadiger of een gedegenereerde. Er zijn gevangenissen waar tachtig procent van de gevangenen tatoeages hebben. De getatoeëerden die niet gevangen zitten, zijn latente misdadigers of gedegenereerde aristocraten.” Degene die het zonder ornamenten kan stellen, is superieur en getuigt van ‘grote, geestelijke kracht’, beweert Loos.

Het verbod op ornamenten in de architectuur heeft het langst geduurd in Nederland. Terwijl in landen als Frankrijk, de Verenigde Staten, Engeland en ook Duitsland met de komst van het postmodernisme het ornament al in de jaren tachtig in ere werd hersteld, ging het postmodernisme eerst vrijwel geheel voorbij aan de Nederlandse architectuur. Op een uitzondering als Sjoerd Soeters na, bleven de Nederlandse architecten trouw aan het strakke modernisme en waren ze er trots op dat zoiets moreel verwerpelijks als het tierelantijnige postmodernisme geen voet aan de grond kreeg in Nederland. Zo werd omstreeks 1990 Nederland, waar ook jonge architecten zich massaal hadden bekeerd tot een keurige dozen-bouwkunst, het Noord-Korea van de architectuur.

Pas in het laatste decennium van de twintigste eeuw kwam hier radicaal verandering in. Verlaat maar met een ongekende kracht werd Nederland overspoeld door een golf van versierde gebouwen. Eerst was dit vooral het werk van buitenlandse architecten als de Luxemburger Rob Krier, de Italiaan Adolfo Natalini en de Belg Charles Vandenhove. Zij tooiden hun talrijke gebouwen in vele Nederlandse steden met ornamentele dakranden, pilasters compleet met kapitelen, gevarieerde metselverbanden en andere versieringen uit de traditionele architectuur. Maar vooral na de laatste eeuwwisseling gingen ook steeds meer Nederlandse bureaus hun gebouwen versieren.

Aangestoken door het succes van de gevelversierders in Nederland hebben ook architecten die hier eigenlijk niets mee te maken willen hebben het ornament herontdekt. Eerst pasten ze dat heel voorzichtig toe, bij voorkeur in de vorm van glazen gevelbekledingen met in of op het glas aangebrachte afbeeldingen van bladeren of abstracte patronen.

Maar in de afgelopen jaren trokken ook ‘moderne’ architecten zich steeds minder aan van Loos’ honderdjarige verbod op ornamenten. In het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum uit 2006 van Neutelings/Riedijk zijn de glazen gevelplaten niet alleen bontgekleurd, maar hebben ze ook reliëf gekregen waardoor het glazen gebouw letterlijk zijn modernistische gladheid verloor. Nog een stap verder gingen dezelfde architecten een jaar later in het Walterboscomplex, de uitbreiding van het belastingkantoor in Apeldoorn. Hier lieten ze op de metalen gevels groteske monsterkoppen van kunstenaar Rob Birza aanbrengen, als de gargouilles op een gotische kathedraal.

Metselverbanden zijn onder ‘moderne’ architecten het geliefdste middel om gevels te versieren. Zo heeft Marlies Rohmer in het bijna voltooide Moskeeverzamelgebouw in de Amsterdamse Transvaalbuurt veelkleurige bakstenen op allerlei verschillende manieren laten metselen tot een duizelingwekkende voorgevel. Hierbij heeft Rohmer zich niet alleen laten inspireren door Arabische ornamentiek, maar ook door die van de Amsterdamse School, de stijl waarin veel gebouwen in de Transvaalbuurt zijn gebouwd.

Rohmers Moskeeverzamelgebouw is een van de eerste proeven van ‘fusion’-architectuur, de nieuwste stijl in de Nederlandse architectuur waarvan ornamentiek een belangrijk onderdeel is. Le Medi, een door Geurst & Schulze ontworpen woningcomplex in Rotterdam in fusion-stijl, kreeg versierde dakranden en mozaïeken die zijn ontleend aan de Arabische, Nederlandse en Byzantijnse architectuur. En voor de Oriënt, een op stapel staand woningcomplex in de Haagse Transvaalbuurt, heeft Wilfried van Winden ornamenten ontworpen die zijn geïnspireerd door Hindoestaans-Indiase bouwkunst.

Loos zou Van Winden hebben betiteld als een ‘gedegenereerde aristocraat’, maar in het Nederland van 2009 baart zijn werk geen enkel opzien meer.

Gepubliceerd in:
achtergrond
Opinie