Hard oordeel over machtige NS
Het treinvervoer verbeterde na de verzelfstandiging in 1995 weinig. Er waren veel vertragingen en storingen. Vanaf 2001 ging het beter, maar NS en ProRail zijn nog veel ‘te ambtelijk’.
Den Haag, 4 april. Vertragingen, stremmingen, treinen die tijdens de rit een tijdje stilstaan op het spoor. De beschuldigende vinger wijst al snel richting de NS. Maar klagen over de NS is niet altijd terecht. De oorzaak van de problemen kan net zo goed bij spoorbeheerder ProRail liggen. En soms is niet duidelijk waar de oorzaak ligt en wijzen NS en ProRail naar elkaar. Extra moeilijkheid: ProRail heeft haar werk vrijwel allemaal weer uitbesteed.
Wie is de baas op het spoor? Wie is verantwoordelijk voor wat? En doen de partijen hun werk goed?
Die vragen zijn bijna vijftien jaar na de splitsing van toenmalig staatsbedrijf NS nog altijd actueel, blijkt uit het nog vertrouwelijke rapport Over ’t Spoor van de commissie-Sorgdrager. Begin jaren negentig besloot de politiek dat de NS op grotere afstand van de overheid moest komen en dat concurrentie op het spoor nodig was. Het beheer van het spoor werd losgekoppeld van het vervoer.
Maar die poging tot meer marktwerking verliep niet probleemloos. Treinen reden niet op tijd, reizigers liepen weg, er waren te veel storingen en er was achterstallig onderhoud. 2001 werd een rampjaar met veel vertraging, een reeks stakingen en het vertrek van NS-topman Hans Huisinga.
Daarna ging het langzaam beter. De op 1 januari 2005 ingevoerde spoorwetgeving moest de verantwoordelijkheden van de verschillende partijen definitief vastleggen en de spoorsector een stabiele basis geven. De NS kreeg tot 2015 het exclusieve recht voor personenvervoer op het hoofdrailnet.
Maar de onvrede bleef. De vergaande opsplitsing van het bedrijf was onverstandig, schreef organisatie-adviseur en spoordeskundige Maarten Veraart eind 2007 in deze krant. „Daarmee werd de samenhang uit de bedrijfsprocessen gehaald. Informele relaties binnen de NS die als smeerolie werkten, werden niet vervangen door effectieve vormen van afstemming.” Hij constateerde: de NS, ProRail en het ministerie van Verkeer en Waterstaat geven elkaar steeds de schuld van vertragingen en de slechte staat van het spoor.
Eind vorig jaar was ook NS-topman Aad Veenman kritisch: „Het is een misvatting van de eerste orde dat de spoorsector een rigoureuze scheiding wilde. Die is ons door Den Haag opgelegd.”
En nu is er dus de commissie-Sorgdrager die in opdracht van minister Eurlings (Verkeer, CDA) heeft onderzocht hoe het gaat met de spoorwet uit 2005. Het zijn pijnlijke conclusies die aansluiten bij eerdere kritiek. „Het opsplitsen van het voormalige staatsbedrijf NS in verschillende zelfstandige organisaties én de komst van nieuwe marktpartijen betekenen een fundamentele cultuurverandering. NS en ProRail hebben daar moeite mee.”
Concreet constateert het rapport dat de NS te veel macht heeft ten opzichte van andere vervoerders. „Vanuit mededingingsoptiek is het onbevredigend dat nieuwe partijen voor bepaalde belangrijke diensten afhankelijk zijn van een andere vervoerder. De NS is geen onafhankelijke partij.” Het rapport stelt dat de samenwerking tussen nieuwe vervoerders en NS „verre van optimaal” is.
Verder moet ProRail pragmatischer en inventiever worden en kan het bedrijf beter worden gesplitst. De verkeersleiding en de verdeling van de spoorcapaciteit kunnen in een aparte organisatie worden ondergebracht, die „doelmatiger en klantgerichter kan werken”. Hoe groot het hoofdrailnet van de NS moet zijn, daarover spreekt de commissie geen voorkeur uit. Maar het rapport stelt wel dat „de mogelijkheden voor aanbieders op die markt groter hadden kunnen zijn.” Ook stelt het rapport dat de nieuwe vervoerders betere prestaties leveren. Zij vervoeren meer reizigers en goederen en benutten de spoorcapaciteit beter.
Ten slotte wijst het rapport op de ambitieuze kabinetsplannen (5 procent meer reizigers per jaar), die veel van het spoor zullen vragen. Commissievoorziter Sorgdrager: „ProRail en de NS moeten op een andere manier in het leven gaan staan. Het zijn toch nog te veel ambtelijke organisaties.”
