Het droeve lot van burgers op het Binnenhof

Door onze redacteuren Steven de Jong en Pieter van Os

Burgers zouden minstens dertig keer per jaar naar de Tweede Kamer komen om een politiek taboe te slechten. Ze kwamen niet. Wat hield ze tegen?

Den Haag, 7 mei. Ze dachten dat het was gelukt. En ook in deze krant was al verslag gedaan van hun prestatie. Raadsleden Arno Bonte, uit Rotterdam, en David Rietveld, uit Den Haag, hadden ruim zestigduizend handtekeningen opgehaald, twintigduizend meer dan nodig is om als burger een onderwerp op de agenda van de Tweede Kamer te krijgen. Gekozen volksvertegenwoordigers moesten op initiatief van de raadsleden debatteren over een verbod op het afsteken van vuurwerk door particulieren.

Het werd ook wel tijd. Sinds de invoering van het burgerinitiatief, deze maand precies drie jaar geleden, zou het pas de tweede keer zijn dat burgers succesvol gebruik maken van hun recht tot inspraak in de Kameragenda. Toch ging het weer mis, zo hoorden de initiatiefnemers half april.

Voor één dag politicus spelen

Aan de handtekeningen lag het niet, constateerde de Kamercommissie burgerinitiatieven onder voorzitterschap van Kamerlid Johan Remkes (VVD) na een uitvoerige controle. Probleem was dat het parlement het onderwerp in de afgelopen twee jaar al eens had behandeld. Het kabinet had zich, vorig jaar maart in een brief aan de Kamer, zelfs uitgesproken tegen een verbod. Voor de Kamercommissie geldt dat als een ‘besluit’. Vervelend voor de aanvragers, want één van de ‘ontvankelijkheidscriteria’ voor een burgerinitiatief is dat de Kamer in de twee jaar voor indiening geen besluit mag hebben genomen over hetzelfde onderwerp. Behalve bij „substantiële” nieuwe feiten of omstandigheden. En dat is bij vuurwerk niet het geval. Het aantal jaarlijkse verwondingen is vrij stabiel.

Bij de invoering van het burgerinitiatief, drie jaar geleden, was de bedoeling duidelijk: het doorbreken van politieke taboes. Als de ‘Haagse kaasstolp’ een onneembare vesting blijkt of politici, in hun neiging naar consensusvorming of in ideologische blindheid, over het hoofd zien welke kwesties Nederlanders belangrijk vinden, zou het burgerinitiatief uitkomst kunnen bieden. Na het ophalen van de handtekeningen, mag de burger dan voor één dag politicus spelen. Vanaf de plaats die normaal gereserveerd is voor ministers en staatssecretarissen, verdedigt hij zijn plan in de Tweede Kamer. Daarna stemt de Kamer.

Les van Fortuyn

Het burgerinitiatief was één van de lessen, zei toenmalig Kamervoorzitter Frans Weisglas (VVD), uit de plotselinge opkomst van wijlen Pim Fortuyn. Die agendeerde onderwerpen die de politiek, om welke reden ook, lange tijd buiten beschouwing had gelaten. Voordeel was ook, onderstreepte Weisglas, dat het burgerinitiatief anders dan de gekozen burgemeester en het referendum niet een grondwetswijziging behoeft, en dus geen tweederde, maar een gewone meerderheid in het parlement.

Toch ging die invoering niet zonder slag of stoot. De voorstanders moesten zich neerleggen bij maar liefst vijf wijzigingen van het oorspronkelijke plan. Alle amendementen betroffen verzwaringen van de toelatingseisen. Zo werden de aanvankelijk vereiste handtekeningen van 15.000 uiteindelijk verhoogd tot 40.000. Ook de leeftijdsgrens van de aanvragers ging omhoog, van zestien naar achttien jaar. Net als de periode waarin de Kamer niet over het onderwerp had geoordeeld; van één naar twee jaar. Bovendien werd bepaald dat het burgerinitiatief zou beginnen met een proeftijd van twee jaar. Dus als het de spuigaten uit zou lopen met het aantal initiatieven (de tegenstanders vreesden dat de Kamer een spreekbuis zou worden voor allerhande belangengroeperingen en lobbyisten) kon de Kamer er altijd weer vanaf. Geërgerd sprak het Kamerlid Wijnand Duyvendak (GroenLinks) over een „parlementaire striptease”.

Maar gestript of niet, zowel voor- als tegenstanders dachten dat burgers het nieuwe inspraakinstrument vaak gingen gebruiken. Minstens dertig keer per jaar. In werkelijkheid bleef het aantal initiatieven laag. En slechts één heeft de plenaire zaal van het Kamergebouw gehaald, een initiatief van Milieudefensie. Onder de naam ‘Stop Fout Vlees’, hoopte de organisatie dat de Kamer een einde zou maken aan de bio-industrie.

Lobbyspam

Dat het maar bij één keer is gebleven mag opvallend worden genoemd, omdat Kamerleden zelf de meest uiteenlopende en soms triviale kwesties op de agenda krijgen. Zo sprak de Kamer recent over de dood van een dierentuinolifant, over het afschieten van negen edelherten op Terschelling en over enkele gemeentelijke kwesties, als een relletje bij een lampionnenoptocht in Den Haag.

„Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten”, zegt Kamerlid Van der Ham (D66), een van de verdedigers van het burgerinitiatief. „Kamerleden waren bang dat alle actie- en lobbyspam die zij via het internet krijgen, direct in de plenaire zaal zou belanden.” Hij geeft de tegenstanders na dat Nederland, internationaal gezien, relatief een open parlement heeft, met een grondwettelijk recht op petitie. „Maar dan nog zeg ik: laat duizend bloemen bloeien”.

Interpretatiekwestie

Dat is niet gelukt. Vooral de regel dat een eerdere behandeling door de Kamer een initiatief onmogelijk maakt, blijkt een hoge drempel. Dat ziet de Kamer zelf ook, zo blijkt uit een evaluatie van afgelopen november. Het begrip ‘onderwerp’ is rekbaar, net als een ‘besluit’. Een „interpretatiekwestie”, noemt Remkes het. Hij legt uit dat ook het enige burgerinitiatief dat de Kamer wel heeft gehaald, over de afschaffing van de bio-industrie, al besproken was in de Kamer, zeker sinds de Partij voor de Dieren parlementaire vertegenwoordiging geniet. Remkes: „Het is duidelijk dat een meerderheid van het parlement er niet voor is, maar kun je dat een ‘beslissing’ noemen?”

De commissie gaf het initiatief van Milieudefensie het voordeel van de twijfel, een genoegen dat de raadsleden met hun vuurwerk niet is gegund.

Omslachtig

Het burgerinitiatief is een mislukking, erkent ook Kamerlid Jan Schinkelshoek (CDA). Hij was bij invoering al tegenstander. Nu zegt hij „een omslachtig” burgerinitiatief niet nodig te hebben om een onderwerp in de Tweede Kamer aan te kaarten. „Een telefoontje of mailtje van een burger is genoeg.” Voor het CDA zijn volksvertegenwoordigers gekozen om zelf te bepalen wat besproken dient te worden. Daar zit een gedachte achter die op het Binnenhof sinds enkele jaren zelden meer wordt uitgesproken. Een nieuw taboe, al doet socioloog Anton Zijderveld, tot voor kort prominent lid van het CDA, er niet moeilijk over. Die zegt ronduit: „De kloof tussen burger en politiek kan niet groot genoeg zijn.”

Lees meer op nrc.nl/burgerinitiatief

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
achtergrond
Binnenland