Alles over de gasbel van Slochteren

Installatie bij het gasveld van Slochteren

Alles was u wilde weten en meer over het gasbel van Slochteren. Van de onderkoelde reactie op de ontdekking tot goedkope komkommers.

De gasbel van Slochteren staat op plaats 49 van de 50 onderwerpen in de Nederlandse Canon, en behoort daarmee tot ‘belangrijke personen, creaties en gebeurtenissen die samen laten zien hoe Nederland zich ontwikkeld heeft tot het land waarin we nu leven’.

Op de bewuste plek – 53° 10' 10.68 noorderbreedte en 6° 45' 56.47 oosterlengte – bevindt zich anderhalve meter onder de bouwgrond de in 1968 afgesloten en volgestorte ontdekkingsput met de naam Slochteren 1. De plek lag anoniem in de nabijheid van de snelweg A7 tussen de stad Groningen en de Duitse grens. Maar op 16 juni heeft koningin Beatrix een standbeeld onthuld van beeldend kunstenaar Marc Ruygrok in het kader van vijftig jaar Groningen-gasveld.

Onderkoeld

De ontdekking van het aardgasveld bij Slochteren werd op 22 juli 1959 onderkoeld ontvangen. „Niemand kon bevroeden dat we voor honderden miljarden guldens aan aardgas hadden aangeboord”, zegt boorspecialist Gerard Borghuis. De ontdekker NAM, een joint venture van Shell (50 procent) en Esso (50 procent) begon met testen en dat ging gepaard met het affakkelen van het vrijkomende gas. De wijd uitwaaierende vlam was tot in de stad Groningen te zien, een afstand van ruim tien kilometer. In de kranten verschenen kleine berichten. ‘De Nederlandse Aardolie Maatschappij heeft in haar exploratieboring bij Slochteren (Gron.) aardgas aangetroffen. Er zullen productieproeven worden genomen.’ meldde op 5 augustus 1959 Het Vrije Volk op pagina 7.

De radiostilte werd doorbroken in het najaar 1960. Het Belgische lid van het Europees Parlement Victor Leemans, tevens voorzitter van de Commissie voor energieonderzoek en Atoomvraagstukken, meldde op 14 oktober dat zich in Groningen een gasreserve bevond van zeker 300 miljard kubieke meter. De opmerking sloeg in als een bom. Binnen een paar dagen stonden er grote berichten op de voorpagina’s van de kranten en stelden Kamerleden vragen aan minister Jan Willem de Pous van Economische Zaken. Een paar dagen later liet de NAM weten: „Er is gas aangetoond in Slochteren en Delfzijl en een zeer kleine hoeveelheid in Ten Boer. Deze vondsten zijn samen in feite iets minder dan een kwart van het getal dat de heer Leemans heeft genoemd.”

Shell stuurde, achter de rug om van Esso, op 18 oktober een brief aan De Pous. Shell wilde praten over „nieuwe afspraken” omtrent een „nieuw ontstane situatie” met betrekking tot „belangrijke nieuwe voorraden aardgas”. Saillant is dat Standard Oil Company binnen 48 uur na de bekendmaking van Victor Leemans een team onder leiding van Douglass Stewart uit Amerika stuurde om haar dochter Esso in Den Haag te ondersteunen.

Innovatie

Er was een vernieuwing in het denken over energieverbruik nodig om de Groningse ontdekking te gelde te maken. En die was even simpel als briljant: het gas diende in hoofdzaak niet aangewend te worden voor industrie en elektriciteitscentrales, maar voor de markt voor kleinverbruikers, vooral voor de ruimteverwarming van huizen. Via de telefoon vanuit Houston, Texas legt de 87-jarige Douglass Stewart uit. „Ik was op bezoek bij Jan van den Berg, onze financiële man, en zag dat er een glanzen stukje metaal met een plug uit de vloer stak. Jan vertelde dat het een bouwvoorschrift was toen er nog geen elektriciteit was en gas werd gebruikt voor de verlichting. Ik keek Jan aan en zei: ‘dat is de oplossing’. Als we al deze pijpsystemen aan elkaar koppelen dan kunnen we het Groningse gas direct naar elke huishouden transporteren. In de VS is dat ook gebeurd, dus waarom niet in Holland.”

Het Groningse aardgasgebied lag in een zeer rendabel afzetgebied: het dichtbevolkte Europa met ruim 100 miljoen potentiële klanten. Uit Amerikaanse ervaring, legt Stewart uit, bleek dat door het gebruik van aardgas voor de verwarming van huizen de gezinsconsumptie van aardgas met een factor tien zou toenemen. Stewart: „Ruim voldoende om de kosten van de aanleiding van een leidingennetwerk te compenseren.” In maart 1961 ging Shell akkoord en volgde de onderhandelingen met de overheid.

Aardgasnota

Het resultaat van de onderhandelingen is lezen in de Nota inzake het aardgas van 1962. „De nota ademde de kenmerkende Nederlandse versie van privaat-publieke samenwerking, waarbij opviel dat de gekozen constructie eigenlijk een facade was om het overheidsaandeel te maskeren”, zegt Herman de Jong van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is wetenschappelijk directeur van het N.W. Posthumus Instituut, het Nederlands-Vlaamse onderzoeksinstituut voor economische en sociale geschiedenis. „Shell en Esso waren zeer beducht voor een al te zichtbare positie van de overheid bij de winning en verkoop van het aardgas. Het zogenoemde sjeikeffect. Shell en Esso zouden hun bestaande belangen in de olielanden in het Midden- Oosten ondermijnen als zou blijken dat zij in hun moederland akkoord zouden gaan met een aanzienlijke en directe financiële en bestuurlijke inbreng van de overheid.” Twee jaar eerder, in 1960, was de organisatie van olie-exporterende landen opgericht. Het doel van de Opec was greep te krijgen op de olieprijzen en zelf meer direct betrokken te raken bij de olieproduktie en -afzet. In de nota is het marktwaardebeginsel opgenomen, wat betekent dat gas verkocht moet worden tegen een prijs die vergelijkbaar is met die van soortgelijke produkten als olie. Zo is de prijs van aardgas gekoppeld aan de olieprijs.

In de nota ging De Pous uit van een exploitatieduur van het aardgas van dertig jaar, want kernenergie zou de plaats van het aardgas kunnen innemen. Om het sjeikeffect te omzeilen werd de concessie gegund aan Shell en Esso en de Staatsmijnen, de Staat bleef daar formeel buiten want de Staatsmijnen zijn een commercieel bedrijf. De N.V. Nederlandse Gasunie werd opgericht om het Groningse aardgas in te kopen, te transporteren, en te verkopen. Eind 1963 werd het eerste Groningse aardgas geleverd aan de Gasunie.

Buizennet

De Gasunie was ook verantwoordelijk voor de aanleg van een buizennet om het gas vanuit Groningen naar de verbruikers in binnen- en buitenland te transporteren. Bijna 100.000 landeigenaren, pachters en andere grondgebruikers moesten door de Gasunie worden benaderd om vergoedingen te regelen voor de aanleg van het net. Binnen zes jaar was die klus geklaard. In deze periode werden de gasfornuizen en andere huishoudelijke apparaten die op stadgas werkten omgebouwd of vervangen, want aardgas heeft een andere verbrandingswaarde dan het stadsgas dat uit cokes wordt gestookt.

Gezinnen stonden niet te springen om een andere gasaansluiting, het bestaande stads- en coke-gas voldeed goed en was niet duur. Met veel subsidies en reclamecampagnes werd het Nederlands publiek overtuigd van de voordelen van aardgas. De Gasunie liet tekenfilms maken en actrice Willeke van Ammelooy werd door een reclamefilm van de Gasunie bekend bij het grote publiek.* (Deze films zijn te zien op vorige.nrc.nl/slochteren).

Maar er was niet alleen een verandering bij het koken. Aardgas werd tegen lagere tarieven aangeboden dan vergelijkbare energiebronnen als huisbrandolie, kolen en stookolie. Het degressieve prijsbeleid werkte deze ‘revolutie’ in de hand: naarmate een gezin meer gas verbruikte daalde het tarief per kubieke meter. Tussen 1963 en 1973 nam het gemiddeld verbruik toe van 300 tot 3300 kubieke meter gas. In 1969 was ongeveer tachtig procent van alle Nederlandse woningen aangesloten op aardgas, waarbij zestig procent van deze woningen door aardgas werden verwarmd. De kolenboer verdween uit het straatbeeld.

Stille revolutie

Met de introductie van het aardgas voltrok zich in Nederlandse huishoudens een stille revolutie. Centrale verwarming werd gepropageerd tot in het Nederlandse toilet. Nederland kende sinds het begin van de twintigste eeuw een zeer snelle, onafgebroken bevolkingsgroei. Om deze reden had de overheid in de jaren veertig en vijftig de nadruk gelegd op het bouwen van goedkope huurwoningen. Tot dan toe werd meestal maar één ruimte verwarmd. Herman de Jong: „Nederlands zaten rond de kolenkachel of in de keuken.” In 1950 had slechts vijf procent van de Nederlandse woningen centrale verwarming, veelal op oliestook. Deze „onderontwikkelde wooncultuur uit zuinigheid” bleef ook na de afschaffing van de naoorlogse distributie hardnekkig standhouden, zelfs na de loonsverhogingen rond 1960. Nog geen vijf jaar later waren de Nederlanders echter overtuigd van de voordelen van ruimteverwarming. Met de introductie van het aardgas nam Nederland afscheid van het sobere stookgedrag. Het percentage centraal verwarmde woningen zou in de loop van de jaren zestig stijgen naar 30. In 1973 was centrale verwarming in alle nieuwbouwwoningen standaard.

Oliecrisis

De euforie rond het aardgas heeft precies tien jaar geduurd – van 1963 tot 1973. De eerste oliecrisis leidde een nieuw tijdperk in. De Opec verhoogde de prijs van een vat olie van drie tot twaalf dollar, boycotte een aantal landen vanwege hun sympathie met Israel in de Yom Kippoer-oorlog, en de Nederlandse overheid riep de burger op tot besparing en zuinig stookgedrag. De aan de olieprijs gekoppelde gasprijzen schoten de lucht in. Huizen werden geïsoleerd, de gordijnen gingen dicht, en de thermosstaat werd een uurtje eerder laag gezet. De magie van Slochteren was uitgewerkt. Het aardas was een normaal produkt geworden met een prijs die direct invloed had op het huishoudbudget.

De eerste oliecrisis stimuleerde de toenmalige minister van Economische Zaken, Ruud Lubbers, tot de ontwikkeling van het zogenoemde kleine veldenbeleid. Het waardevolle gas uit Slochteren moest worden gespaard ten gunste van de exploitatie van van kleine velden, zowel op land als zee. Dankzij de stimulering van de kleine velden heeft Nederland de uitputting van zijn gasvoorraad tientallen jaren voor zich uit geschoven. Het heeft de Nederlandse Staat en de oliemaatschappijen vele extra miljarden opgeleverd. Vooral de Staat dan, want Lubbers slaagde er ook in de winstdelingsregeling van de gasbaten nog verder om te buigen in de richting van de overheid. Lubbers: „Onder mijn voorganger Harry Langman waren we van 70-30 naar 85-15 boven een bepaald prijsniveau gegaan. Ik ben daarna bij de hogere prijs tot een extra schijf van 95-5 gekomen. Den Uyl geloofde niet dat dat mij zou lukken. “Dat is totaal irreëel”, zei hij, als linkse man. Dat is dus wel gelukt.”

Structuur

Aardgas veranderde de structuur van de Nederlandse economie. Het leidde tot een versnelde sluiting van de kolenmijnen. Met aardgasopbrengsten werd vervangende werkgelegenheid gestimuleerd. De beschikbaarheid van aardgas maakte de Nederlandse industrie energie-intensief. De consument kon het hele jaar goedkope komkommers, paprika’s, tomaten en chrysanten kopen. Het gas werd tegen marktwaarde verkocht, maar er kwamen speciale tarieven voor grootverbruikers. Daaronder bevonden zich onderdelen van de chemische industrie en van de metaalnijverheid, zoals de aluminiumindustrie in Delfzijl, de zoutchemie van Akzo en Hoechst Vlissingen. Hoewel bij verbranding van aardgas in vergelijking met kolen en olie minder CO2 vrijkomt zijn het totale energie-verbruik en de uitstoot van broeikasgassen relatief hoog in Nederland.

Gepubliceerd in:
achtergrond
Slochteren 50 jaar