‘Met zes lidstaten was het gezelliger’

Door onze correspondent Caroline de Gruyter

Onze correspondenten verhalen deze zomer over het familiebedrijf in hun land. Wordt het geraakt door globalisering, crisis, ruzies? Of juist niet. De eerste aflevering. Uit Brussel.

Brussel, 27 juni. Roger Nardi is eerst een Nardi en dan een Europeaan. Dit verklaart voor een groot deel waarom hij in 1996, samen met zijn zus Giovanna, een van dé restaurants voor Europeanen in Brussel van zijn moeder en tante heeft overgenomen. „Zolang je je met familie omringt”, zegt hij, „kun je je overal thuis voelen.”

Het is drie uur ’s middags in La Rosticceria Fiorentina, naar men zegt het op twee na oudste Italiaanse restaurant in Brussel. Het ligt vlak achter het Berlaymontgebouw, het enorme glazen hoofdkwartier van de Europese Commissie. Nardi (52), die eigenlijk Ruggero heet, komt net uit de keuken. Een stevige man met een vriendelijk, open gezicht. Hij draagt een T-shirt met een blauw-wit geblokte koksbroek eronder. Het is warm. Zijn grijzende krullen plakken aan zijn gezicht. Tientallen Europese functionarissen, diplomaten, lobbyisten en journalisten – het Europese volk dat hier al sinds 1962 komt eten – zijn weer bediend. Vroeger, toen er nog geen prikklokken bij de Europese Commissie waren, toen de pers maximaal één deadline per dag had en er haast nog niemand aan de lijn deed, zaten de klanten hier soms tot vier, vijf uur aan de lunch. Bij de zoveelste pousse-café. „Te discussiëren over Europa.”

Dat de klanten tegenwoordig eerder vertrekken, is maar één van de vele veranderingen in het Europese subcultuurtje die Roger Nardi vanachter de pannen waarneemt. De geschiedenis van de Rosticceria – echte stamgasten zeggen altijd ‘chez Nardi’ – is nauw met de geschiedenis van Europa verweven. Al 47 jaar eten hier zo’n beetje alle nationaliteiten van de Europese Unie. De Fransen hebben in het smalle restaurant hun eigen, ronde tafel. De Spanjaarden hebben de andere. Verder staan er alleen hoekige tafeltjes. Aan de muur hangt – naast tekeningen, een foto van het dorp waar alle Nardi’s vandaan komen en een kiekje uit 1971 van Maria Gori (moeder Nardi) en Rina Nardi (tante) met de voetballer Pélé – een koperen plaquette ter herinnering aan een van de vaste klanten. Daarin staat gegraveerd: ‘20 jaar debatten over Europa en andere dingen van het leven’.

Via Marseille naar de mijnen

Maria en Rina emigreerden in de jaren vijftig met hun echtgenoten Gigi en Dino uit Crasciana di Bagni di Lucca. Voor de duidelijkheid: Maria was getrouwd met de broer van Rina en Rina met de broer van Maria. Familie in het kwadraat, zegt Roger Nardi. Hij is zelf ook met een emigrante uit het dorp getrouwd, Manuela, die ook alweer jaren in het restaurant werkt. Er woonden vroeger ongeveer duizend mensen in Crasciana, vertelt hij, en daar bleven er door de emigratie nauwelijks honderd van over. „Ze gingen naar Amerika, Duitsland, Frankrijk. Daar was werk. Hun nazaten komen ’s zomers nog naar het dorp om vakantie te vieren. Wij ook.”

De Nardi’s vonden eerst werk in Marseille, maar trokken door naar België. Nardi’s oom werkte in de mijnen, in de Borinage, tot zijn knieën versleten waren. Nardi’s vader trad in dienst bij een Belgische familie, oud-Congogangers in de rue Royale, die toen ‘op stand’ was. De Europese Gemeenschap van Kolen en Staal kwam in 1958 uit Luxemburg naar Brussel, waar de Europese Commissie haar werk begon; Maria en Rina openden de Rosticceria amper vier jaar later. Hier, in wat later (alleen overdag) een levendige Europese buurt zou worden, waren destijds nauwelijks restaurants. Gigi en Dino werden, zoals veel Italiaanse migranten in die dagen, gecontracteerd als portiers bij de Commissie. Nog altijd zijn veel portiers, chauffeurs en veiligheidsbeambten daar van Italiaanse afkomst. Dit verklaart voor een deel waarom er relatief zoveel Italianen bij Europese instellingen werken.

„Iedereen kende toen iedereen,” vertelt Nardi. In de lunchpauze renden zijn vader en oom naar het restaurant om hun echtgenotes te helpen. Vaak bedienden ze dan mensen die ze die dag al eerder waren tegengekomen. Zo waren ze allemaal, met behoud van rang en stand, één grote Europese familie. Zozeer, dat commissarissen hun medewerkers weleens wezen op de gevaren van lunchen bij Nardi: namelijk dat er bij een hapje en een glaasje allerlei confidenties werden uitgewisseld. Commissievoorzitter Jacques Delors deed dat, zegt men. Toch was Delors, net als de commissarissen, bij tijd en wijle bij Nardi te vinden.

Alles wat journalisten – toen een handvol, nu ruim duizend – hier aan tafel hoorden, was off the record. En officieel hoorde hún mening weer geen effect te hebben op het beleid dat bij de Commissie werd uitgestippeld. In de praktijk liep het één vaak in het ander over. Functionarissen testten ideeën uit of suggereerden invalshoeken voor artikelen. De pers was toen soms Europeser dan het nieuwe communautaire ambtenarendom. „Je wist soms niet wie functionaris was en wie journalist”, zegt iemand die er vroeger middenin zat. „De rollen waren volledig uitwisselbaar. Het was een intense tijd, zij het enigszins incestueus. Nu beleven we het andere uiterste, met woordvoerders en perspasjes en elektronische poortjes.”

Ossobucco

De Nardi’s betrokken midden jaren zestig een van de appartementen boven het restaurant. Daar, in de rue Archimède, op een steenworp van de Place Schuman, werd in 1966 Giovanna geboren. Zij en Roger werden goeddeels door hun grootmoeder opgevoed. Uit onderzoek van hoogleraar Johan Lambrecht van de KUB, in Brussel, blijkt dat eigenaren van familiebedrijven die met pensioen gaan, de neiging hebben wel de leiding aan de kinderen over te dragen, maar niet hun kennis en ervaring. Ze hebben alles in hun hoofd, en vergeten het door te geven. Bij de Nardi’s speelde dat niet, zegt Roger. Hij ging op zijn achttiende de bediening in. Later trok hij ook de keuken in. Hij kende de meeste klanten bij naam en nam de recepten over die zijn moeder en tante gebruikten. Er werd, en wordt nog, erg simpel gekookt. Het menu is al jaren bijna niet meer veranderd: zelfgemaakte ravioli’s, ossobucco, spaghetti met vongole. „Traditioneel familie-eten” noemt hij het. Zo kwam hij deze morgen vroeg van de markt met mooie struiken basilicum. Daar maakte hij pesto van, voor de dagpasta. „Aan ingewikkelde menu’s doen we niet. Mensen hebben tegenwoordig zoveel vergaderingen dat ze daar ook geen tijd meer voor hebben.”

Het is kennelijk een goede formule. Het restaurant zit meestal vol – je hebt vaak pech als je niet reserveert. Roger Nardi toont, toch lichtelijk trots, een oorkonde die hij kreeg van de Vereniging van Lucchesi in het buitenland: de ‘Gouden Emigrant’. Hij mag zich niet al te Italiaans voelen, dit vindt hij toch wel mooi. „Mensen uit Lucca houden contact, hè.”

Ook in het interieur wordt het oude in ere gehouden. De gedrapeerde vitrage hangt er al jaren, er ligt altijd wit papier op tafel. Alleen de gestucte muur krijgt af en toe een likje. De tafelindeling is wèl aangepast. Ook dat weerspiegelt een verandering bij de Europese instellingen. Vroeger waren er Chez Nardi vooral grote tafels. Nieuwkomers schoven bij anderen aan. Niemand had daar bezwaar tegen: iedereen maakte plaats en daarbij, ze kenden elkaar in veel gevallen. Met zes lidstaten, vindt Nardi, was Europa gezelliger. „Na de grote uitbreiding van 2004 komen er ook Oost-Europeanen eten. Soms spreken die niet eens Frans! En ik spreek geen Engels. Met 27 landen kennen mensen elkaar minder. Ze willen privacy bij de lunch, en komen niet meer voor groepsdiscussies over het landbouwbeleid, geroddel over benoemingen of analyses over de euro. Veel oud-functionarissen blijven na hun pensioen in Brussel wonen. Zij blijven trouw komen. Verder is het familie-idee een beetje weg, moet ik zeggen. Dus wat hebben we gedaan? We hebben nu overal kleine tafels neergezet. Zo kan iedereen apart eten, à deux meestal. En als mensen het echt willen, kan ik ze zo aaneen schuiven.”

Derde generatie

Als jongetje speelde Roger Nardi in de bouwput van het Berlaymontgebouw, op de plek waar eerst een katholieke meisjesschool stond. Hij heeft maar één professioneel ‘uitstapje’ gemaakt in zijn leven: enige jaren Duitsland, waar hij ook in de horeca werkte en waar zijn twee kinderen werden geboren. Zijn dochter studeert voor vertaalster in Pisa. Zijn zoon, die eindexamen deed aan de Deutsche Schule en afstudeerde in marketing, aan een Engelstalige universiteit in Brussel, werkt in Zaventem, als manager bij een bedrijf. De derde generatie Nardi bestaat uit echte Europeanen. Of die straks op hun beurt het restaurant overnemen? Hij grinnikt. „Ik weet het nog niet zo net.”

Bij hem gebeurde het gewoon. Op de vraag of hij ooit iets anders heeft gewild dan La Rosticceria overnemen, zegt hij na lang nadenken: „Neu. Ik was er. Mijn zus ook. Zo ging het. Het is me ook niet opgedrongen. Het ging vanzelf. Mijn tante is doorgegaan tot haar tachtigste. Mijn moeder tot ze 78 was. Dus ik heb nog even. Hoewel, de tijd vliegt.”

Over de omzetten die hij draait, zegt Nardi niets. Maar gezien de drukte in het restaurant, in een buurt die intussen vol zit met lunchcafés in alle smaken van Europa, zullen de financiën wel niet dramatisch slecht zijn. Op de vraag wat hij van de crisis merkt, antwoordt hij laconiek dat „mensen toch moeten eten”. En zijn de belastingen en de administratieve rompslomp in België beter of slechter dan elders? Hij haalt zijn schouders op. „Weet ik veel. Over dat soort dingen heb ik me nooit opgewonden.”

Italiaans paspoort

Roger Nardi woont met zijn vrouw boven ‘de zaak’. Zijn ouders ook nog steeds. Zijn vader zou schitterende verhalen hebben kunnen vertellen over de parallelle evoluties van Europa en zijn restaurant – ware het niet dat hij in februari een hersenbloeding kreeg en sindsdien half verlamd in het ziekenhuis ligt. Zijn vrouw brengt de dagen grotendeels aan zijn bed door. Alleen ’s avonds komt ze soms in het restaurant langs, als de clientèle minder Europees is en meer Italiaans.

Nardi heeft, zoals veel tweede-generatie Italianen in België, nog steeds een Italiaans paspoort. Het feit dat hij geen Belgisch paspoort heeft, interesseert hem niets. Voor een aanvraag moet je moeite doen. „Wat maakt het uit in 2009, welk paspoort je hebt? Er zijn geen grenzen meer. Wat belangrijk is, is waar je je thuisvoelt. Niet welk paspoort je hebt.”

Giovanna Nardi, zijn zus, komt binnen. Ze heeft haar vijfjarige dochter Francesca van school gehaald, een vrolijk kind dat meteen begint te schuiven met het bestek dat haar moeder op de tafeltjes mooi had recht gelegd voor vanavond. Ze heeft haar schort nog aan. Giovanna, die haar Italiaanse man in het restaurant heeft ontmoet, is legendarisch voor haar Toscaanse temperament. Sommige klanten blijven erom weg, anderen vinden het juist een attractie. Sinds Francesca’s geboorte werkt zij ’s avonds niet meer. Voor de rest zit ze er niet mee dat haar dochter, net als zijzelf destijds, deels in een restaurant opgroeit waar haar moeder hard moet werken. Sommige mensen vinden dit een keerzijde van een familiebedrijf: dat het werk nooit echt ophoudt. „Kennelijk”, zegt ze, „heb ik daar geen trauma aan overgehouden.”

Uit onderzoek van Lambrecht blijkt dat steeds meer familiebedrijven niet door één kind worden overgenomen, maar door meer. Zo verdeel je de last. Maar broers en zussen vergeten weleens dat fricties op het werk meteen familieruzies worden. „Fricties”, herhaalt Nardi. Hij kijkt naar zijn zus. „We hebben het goed geregeld, toch? We hebben een bv.”

Maar hebben ze ooit ruzie? „Bedoelt u als ik iets wil en zij niet? Nee, dat komt zelden voor. Zoveel wil ik niet, haha. Mijn moeder en tante waren best tevreden samen. Wij ook.”

Terug naar de kaart.

Gepubliceerd in:
achtergrond