De Balkenendenorm
Voormalig SP-leider Jan Marijnissen lanceerde ooit in een debat over de publieke moraal de Balkenendenorm als salarisplafond. Hij betoogde op 14 april 2005 dat niemand in de (semi)publieke sector meer zou mogen verdienen dan de minister-president.
„Balkenende is de norm”, zei Marijnissen, waarop de premier antwoordde dat die slogan hem wel beviel. Sindsdien is de Balkenendenorm een begrip, al bestaat er over de definities veel verwarring.
Centrale gedachte is dat het ministerssalaris het hoogste salaris in de publieke sector zou moeten zijn. Het kabinet werkt aan een wettelijke verankering van maxima voor de (semi)publieke sector. Het perspectief is de werkgever: wat zijn de kosten van de werknemer? De norm bestaat niet uit het salaris van de minister-president – een bekend misverstand – maar uit het gemiddelde ministerssalaris dat de commissie-Dijkstal eerder adviseerde. Daarbij wordt er formeel van uitgegaan dat een minister een 36-urige werkweek heeft en wordt de pensioenbijdrage meegeteld en andere toeslagen. Het salaris wordt vermeerderd met 30 procent: die verhoging werd nodig geacht om de minister-president als geloofwaardige top in het nieuwe loongebouw van de publieke dienst te lanceren. Die loonsverhoging is in de praktijk echter al een paar keer uitgesteld, het ligt politiek gevoelig.
Het is inmiddels verplicht voor (semi)publieke instellingen om jaarlijks te melden of er functionarissen boven de Balkenendenorm zitten. De personen worden niet vermeld, alleen de functies die zij bekleden. Openbaarheid van deze gegevens zou tot matiging moeten leiden, zo is de gedachte. De Balkenendenorm wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld door het ministerie van Binnenlandse Zaken. De plafonds van de laatste jaren luiden als volgt:
2006: 171.000
2007: 169.000
2008: 181.000
