‘Doping helpt niet, het geeft vooral een placebo-effect’

Door onze redacteur Maarten Scholten

Schaats- en wielertrainer Bram Brouwer studeerde af op het onderwerp ‘Doping als drogreden’. Volgens hem maken dopebestrijders het probleem bewust groter dan het in feite is.

Mantgum, 5 sept. Laat duidelijk zijn dat de pas afgestudeerde psycholoog Bram Brouwer (62) geen voorstander is van doping. „Maar wielrenners oppakken, in een cel zetten, verketteren? In Nederland kun je iemand met een hamer de hersens inslaan en je krijgt drie jaar. Voor dopegebruik kun je in sommige landen vijf jaar krijgen. Is er nog iemand die dit in perspectief plaatst? Doping is allang niet meer gewoon een probleem in de sport, het is een gigantische emotie geworden.”

Vanuit zijn vakgebied, de psychologie, kan Brouwer die emotie wel verklaren. „De gangbare mening is: wielrenners zijn bedriegers want ze gebruiken doping. Dat noemen we in de psychologie een bevestigingsvertekening. Elk geval van een positief bevonden renner wordt direct aangegrepen om het gangbare inzicht te bevestigen. Intussen onderzoekt niemand meer of dat inzicht wel juist is. Dat kan leiden tot ernstige vertekening van de werkelijkheid.”

Brouwer, van huis uit meet- en regeltechnicus, besloot het dopingprobleem in de wielersport wetenschappelijk te onderzoeken. „Wielrennen is mijn passie, sinds ik in de jaren zestig begon. Later trof ik in mijn vrouw, Gonnie Brouwer, een topper in het marathonschaatsen en het wielrennen. Toen ze in 1993 stopte, zijn we samen een trainingsschool begonnen. Tot ze tijdens een training in 1995 een slinger maakte. Ja, en toen was ze er niet meer. Ik ben na haar overlijden in een diep gat gevallen, was mijn zelfvertrouwen kwijt. Steeds weer dat idee: hoe zou ik iemand als trainer nog kunnen begeleiden als ik dit soort dingen niet eens zie aankomen bij degene die het dichtst bij mij staat?”

Tot hij een gesprek had met oud-wereldkampioen schaatsen Harm Kuipers, ooit zijn eerste docent op de trainerscursus en inmiddels hoogleraar bewegingswetenschappen en lid van de medische commissie van de internationale schaatsunie ISU. „Ik ben inleidende modules psychologie gaan doen en voordat ik het wist de hele opleiding.”

Onlangs studeerde hij cum laude af op het onderwerp ‘Doping als drogreden’. „Ik kijk naar de medische kant, naar de regels en naar de inspanningsfysiologie. Als psycholoog hoef ik niet de details te kennen van de specialismen. Ik haalde overal vandaan wat ik nodig had.”

Zijn belangrijkste bevinding? „Doping helpt niet eens.” Zelfs het vermeende wondermiddel epo, dat de aanmaak van rode bloedcellen en daarmee het zuurstoftransport stimuleert, heeft volgens de Fries nauwelijks of geen prestatiebevorderend effect bij wielrenners. „Ik ben daar nergens enige onderbouwing voor tegengekomen. Ik zeg niet dat doping, epo, niets doet. Maar dan toch vooral in het hoofd, mentaal.”

Toch spreken professor Jo Marx en huisarts Berend Nikkels, die onderzoek deden naar epo, van positieve effecten. „Ik ken de opvatting van Nikkels, hij zegt het in de praktijk zo te ervaren. Ik kan niet aantonen dat het niet zo is. Maar volgens mij is het vooral een placebo-effect. Ik denk dat renners harder gaan fietsen, omdat ze denken dat ze harder kunnen. Zoals Lieuwe Westra in de Vuelta meer kan, omdat zijn vader pas is overleden.”

Brouwer geeft toe dat epo wel helpt als de hematocrietwaarde van een renner dramatisch zakt, zoals in een drieweekse ronde als de Tour de France. „Dan is sprake van bloedarmoede en moet je hem behandelen zoals elke andere patiënt. Daar mag je van de dopingbestrijders niet over praten. Goed, het heeft een prestatiebevorderend effect. Maar je probeert er in eerste instantie mee om de gezondheid op peil te houden. Dat is geen doping maar verzorging. Maar renners mogen niet meer wat normale mensen wel mogen. Kijk hoe Tom Boonen is verketterd omdat hij buiten competitieverband cocaïne gebruikte.”

Zijn onderzoek - met als ondertitel ‘de cyclus van bevestigingsvertekeningen en zelfbevestigende voorspellingen van doping in de wielersport’ - toont hiaten in de dopingreglementen en fouten bij de interpretatie van testgegevens. „Het gaat allemaal over de rug van de renners. Dopingbestrijding is een politieke machtsstrijd geworden met een economische achtergrond. De bestrijders hebben er belang bij om doping een groot probleem te maken. Intussen helpen ze mijn sport om zeep. En het probleem escaleert alleen maar, omdat renners door een belachelijk apparaat van repressie naar schimmige achterkamertjes worden gedreven.”

Gepubliceerd in:
Sport