Liever goede colleges dan iedere student een beurs

Door Mark Rutte en Halbe Zijlstra

Het hoger onderwijs dreigt nog verder te verslechteren. Dat kan echt niet meer. Besteed het geld aan kwaliteit, niet aan inkomenspolitiek.

Kenniseconomie – iedereen praat erover: hoogleraren, het bedrijfsleven en het kabinet. De vraag is echter wat wordt gedaan om die kenniseconomie ook echt gestalte te geven. Vorige week werd bekend dat Nederland van de achtste naar de tiende plaats is gezakt op de ranglijst van concurrerende economieën in de wereld. Eén op de tien hoogopgeleiden verlaat Nederland omdat elders meer kansen liggen. En de OESO stelt vast dat ons hoger onderwijs er op een aantal punten slecht voor staat. Opleidingen lijken te veel op elkaar en er is per student weinig geld beschikbaar. Dit is te merken aan overvolle collegezalen en studenten die naar huis worden gestuurd omdat er geen docenten beschikbaar zijn.

De conclusie is dan ook helder. Als Nederland in de wereld een leider wil zijn, in plaats van een volger, dan moet dus ons kennisniveau en daarmee de kwaliteit van ons onderwijs verbeterd worden.

We zijn in Nederland inmiddels gewend aan industrie die vertrekt naar landen als China, India en Brazilië, want daar kan men goedkoper produceren. Het is dus begrijpelijk dat de tv’s van Philips al lang niet meer in Eindhoven gemaakt worden. Daarom is Nederland zich steeds meer gaan richten op kennis, innovatie en dienstverlening. Op deze gebieden is Nederland sterk en kunnen we opboksen tegen opkomende economieën en nieuwe machtsblokken.

Het is echter veelzeggend dat deze nieuwe spelers veel minder last hebben van de recessie en zich veel sneller herstellen. Zij hebben goed gekeken naar de westerse economieën en hun eigen economieën een krachtige impuls gegeven door te investeren in kennis, innovatie en dienstverlening. Met deze ontwikkeling moet Nederland ernstig rekening houden. Als we willen voorkomen dat ook deze sectoren vertrekken, dan moeten we zorgen dat we de opkomende economieën altijd een stapje voor zijn. Dan moeten randvoorwaarden worden gecreëerd die ervoor zorgen dat bedrijven die in Nederland gevestigd zijn hier blijven, en dat nieuwe bedrijven zich hier willen vestigen.

Om dit te bereiken zijn tal van maatregelen nodig. Zo moeten we de enorme stroperigheid uit de besluitvorming halen en is het tijd voor een flexibele arbeidsmarkt. Maar bovenal is een investering nodig in kennis, in ons onderwijs.

Het niveau van het hoger onderwijs in Nederland ontstijgt nauwelijks de middelmaat. Te veel verveelde studenten kunnen een vak halen zonder een boek te openen, college krijgen van medestudenten, massatentamens met alleen multiplechoicevragen – het zal duidelijk zijn dat de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland verbeterd moet worden. Universiteiten en hogescholen moeten betaald worden op basis van geleverde kwaliteit, niet op basis van het aantal studenten en diploma’s. Daarnaast is er ook een financiële injectie nodig. In het collegejaar 2007-2008 was de bijdrage die instellingen per student ontvangen 40 procent lager dan in de jaren 80. De sterke groei in aantallen studenten en de dalende bijdragen per student hebben zware druk gezet op de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs. Ten opzichte van vorig jaar is het aantal voorinschrijvingen aan universiteiten en hogescholen weer met 25 procent toegenomen. Aangezien het kabinet hier geen extra budget voor heeft vrijgemaakt, neemt ook nu de druk op de kwaliteit van het hoger onderwijs verder toe. Dit is onverantwoord en daarom willen wij ruim een miljard investeren in het hoger onderwijs. Het is niet reëel om dit geld uit de algemene middelen te halen, dat zou leiden tot hogere belastingen, of een nóg hogere staatsschuld.

Daarom kiezen wij voor het eerlijker verdelen van de kosten voor hoger onderwijs tussen overheid en de student. De studiefinanciering wordt dan omgezet in een lening, die studenten na hun afstuderen tegen een lage rente, inkomensafhankelijk kunnen terugbetalen. Op deze manier wordt benadrukt dat een studie een investering in de eigen toekomst is. Omdat afgestudeerden daarnaast een belangrijke bijdrage aan de samenleving leveren, neemt de overheid door middel van het wettelijk vastgestelde collegegeld nog steeds 75 procent van de kosten van de studie op zich. Studenten betalen een maximum bedrag van 1.620 euro aan collegegeld, terwijl de feitelijke kosten van een studie gemiddeld 7.300 euro bedragen. De vrijvallende middelen van ruim een miljard investeert de overheid in de kwaliteit van het hoger onderwijs.

Wij kiezen hiermee voor kwaliteit. Wij willen onderwijsgeld besteden aan onderwijs, niet aan inkomenspolitiek. Zodat studenten én onderwijsinstellingen worden geprikkeld het beste uit zichzelf te halen. Instellingen moeten hun kwaliteit verbeteren en studenten moeten bewuster met hun studiekeuze omgaan. Studenten zullen universiteiten en hogescholen sneller aanspreken als de kwaliteit achterblijft. Ze betalen immers voor hun studie en nemen daardoor minder snel genoegen met middelmaat. Om dat te bereiken moeten we nú beslissingen durven te nemen.

Gepubliceerd in:
achtergrond