W.
De wereld was een betere plaats geweest als George W. Bush gewoon aan de drank was gebleven. Dat valt op te maken uit W. (op zijn Texaans: ‘Dubya’), de biopic van Oliver Stone over George W. Bush. Een unieke film, want de 43ste Amerikaanse president woont nog in het Witte Huis en filmmakers wachten normaliter het oordeel van de geschiedenis dan nog even af. Al lijkt dat oordeel bij Dubya nu al in marmer gebeiteld: mislukt.
Trailer van W.
Gezien de timing van W. en Stone’s overtuigingen werd gevreesd voor verkiezingspropaganda, zoals documentairemaker Michael Moore vier jaar geleden John Kerry met zijn pamflet Fahrenheit 9/11 de helpende hand toestak. Dat valt mee: W. is een evenwichtige, soms bijna saaie biopic. Maar niet zonder venijn. Neem het moment dat alles Dubya al door de vingers is geglipt - nog vóór New Orleans en de kredietcrisis - en hij met Laura in pyjama sport kijkt, voordat ze om tien uur onder de wol duiken. „Ze hebben geen idee hoe moeilijk het voor ons is”, troost het presidentiële paar elkaar.
Hoe is het zover gekomen? Stone gaat terug naar Dubya’s jeugd als luie, lawaaierige telg uit een dynastie die zichzelf als Republikeins tegenhanger van de Kennedys ziet. Hij is jaloers op zijn perfecte broer Jeb, maar mist zelf richting: hij wil iets vaags doen met sport. Zonder goedkoop te scoren – met een coke snuivende W. bijvoorbeeld – registreert Stone die vergooide eerste helft van zijn leven en de vaderlijke afkeuring die dat oplevert. Want dat is het hoofdthema: Dubya’s worsteling met het gezag van Bush senior. De rebellie, de neiging om ‘poppy’ als sukkel af te serveren: alles rust op de behoefte aan goedkeuring van zijn vader.
Het cruciale moment in W. is de bekering tot born-again christen als Dubya met een kater door een bos jogt. Als geheelonthouder kan hij zijn complexen niet langer wegdrinken. Hij moet het onder ogen zien: veertig jaar en niks bereikt. Daarna lukt de ontketende Dubya alles, opnieuw met dank aan zijn vaders connecties en ‘Boy Wonder’ Karl Rove, de strateeg die Dubya’s volkse charisma al vroeg onderkent. Rove leert Dubya spreken én denken in soundbites – een politieke ster is geboren.
En dan zijn we in het Witte Huis, waar Dubya met heilig vertrouwen in zijn ‘gut feeling’, potsierlijk vertoon van daadkracht („I’m the decider”) en de blingbling van de macht (het presidentiële wapen zelfs op zijn broekgesp) zijn onzekerheid maskeert. Alsof je daarmee sluwe vossen als vicepresident Cheney – een prachtige rol van Richard Dreyfuss – om de tuin leidt: hij bespeelt Dubya als een piano.
Een middelmatige, gefrustreerde man die veel te ver is gekomen: W. is een uitgebalanceerd, weinig verrassend portret. De vraag is wel wie na acht jaar George W. Bush nog eens ruim twee uur met hem in de bioscoop wil doorbrengen. De film opende goed in de VS: wellicht helpt dat om het volgende quasi-volkse vlieggewicht beter te herkennen. Sarah Palin loop zich al warm.
