Integratiebeleid dat geen eisen aan migranten stelt, komt de integratie niet ten goede

Door Ruud Koopmans

Een wetenschapper verwijten dat hij zich beroept op feiten, zoals Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan doen in hun reactie (NRC van 26 november 2008) op mijn bijdrage "Nederland is nog volop multicultureel" (NRC van 19 november 2008) heeft iets merkwaardigs. Feiten zijn in een debat tussen wetenschappers niet het laatste woord, maar juist de basis voor een zinvolle discussie.

Daarom is het verheugend dat Duyvendak c.s eindelijk instemmen met de constatering dat het Nederlandse integratiebeleid in vergelijking met andere landen migranten en hun nakomelingen nog altijd een hoge mate van rechtsgelijkheid toekent en veel ruimte voor uitingen van minderheidsculturen en -religies biedt.

Terecht merkt Tjitske Akkerman in haar reactie (NRC online van 26 november 2008) op dat een welles-nietes discussie over de aard van het Nederlandse integratiebeleid niet veel zoden aan de dijk zet zolang er niet duidelijk wordt gemaakt wat het belang van dat beleid is voor de daadwerkelijke integratieproblemen op gebieden als de arbeidsmarkt en etnische segregatie in onze steden. Duyvendak c.s. menen dat de strengere inburgeringswetgeving van de laatste jaren "de inburgering van migranten bemoeilijkt in plaats van bespoedigt". Daarmee vertegenwoordigen ze de onder Nederlandse integratiedeskundigen breed gedragen veronderstelling dat de overheid de integratie van migranten het beste bevordert door hen zo snel mogelijk en zonder veel voorwaarden gelijke rechten toe te kennen en zoveel mogelijk ruimte te bieden aan uitingen van hun eigen cultuur en religie, ook binnen publieke instituties als de media, de ambtenarij en het onderwijs.

Als een hoge mate van rechtsgelijkheid goed is voor de integratie, zou het zo moeten zijn dat Nederland, dat hoog scoort op de MIPEX-index van integratiebeleid, het ook relatief goed doet als het gaat om de arbeidsmarktparticipatie van migranten. Het tegendeel is echter het geval. Zoals in de grafiek te zien is, is Oostenrijk het enige land waar de arbeidsmarktparticipatie van in een niet EU-land geboren migranten bijna net zo hoog is als die van autochtonen (een waarde van 100 geeft aan dat de arbeidsmarktparticipatie van migranten en autochtonen gelijk is, waarden daaronder geven aan hoeveel lager de arbeidsmarktparticipatie van migranten is), en dat terwijl Oostenrijk juist een restrictief integratiebeleid heeft waarmee het onderaan de MIPEX-ranglijst bungelt. Daarentegen ligt in Nederland het percentage migranten dat betaald werk verricht bijna een kwart lager dan onder autochtonen. De enige landen waar de achterstand van migranten op de arbeidsmarkt nog groter is, zijn Zweden en België, precies de twee West-Europese landen waar migranten een nog betere rechtspositie hebben dan in Nederland.

Natuurlijk kleeft aan dit soort vergelijkingen altijd het probleem dat de migranten in verschillende Europese landen uit verschillende herkomstlanden stammen. Ik vergeleek daarom in mijn artikel "Zachte heelmeesters", waarnaar Duyvendak c.s. verwijzen, Turken in Nederland en Duitsland en constateerde dat ook wanneer je naar dezelfde groep kijkt, de arbeidsmarktdeelname in Nederland ongunstiger is. "Aperte onzin" meende integratieonderzoeker Rinus Penninx: "Koopmans heeft niet goed naar de feiten gekeken".

Het Centraal Planbureau en het Sociaal-Cultureel Planbureau onderzochten de kwestie in een in 2006 gepubliceerde studie uitvoerig en lieten zien dat ook wanneer gecontroleerd wordt voor individuele kenmerken zoals het opleidingsniveau, de Nederlandse Turken wat betreft arbeidsmarktdeelname van zowel mannen als vrouwen een veel grotere achterstand op autochtonen hebben (ongeveer 20% lager) dan bij de Duitse Turken het geval is (6-7% lager dan autochtone Duitsers).

Duyvendak c.s zullen waarschijnlijk tegenwerpen dat dat zo mag zijn, maar dat de reden dat Nederland het slecht doet niet het beleid is, maar de verharding van de toon in het integratiedebat van de laatste jaren. Die verklaring snijdt echter geen hout omdat Nederlandse migranten al sinds de gegevens van de Europese arbeidsmarktenquête in de jaren negentig voor het eerst beschikbaar kwamen een grotere achterstand op autochtonen hebben dan hun tegenhangers in landen als Duitsland of Oostenrijk. De veranderingen in het publieke debat sinds de opkomst van Pim Fortuyn kunnen geen verklaring bieden voor een probleem dat daarvoor al bestond.

Een tweede kernaspect van integratie is segregatie – de mate waarin allochtonen en autochtonen binnen steden gescheiden van elkaar wonen. Segregatie wordt uitgedrukt op een index die loopt van 0 (volledige menging van bevolkingsgroepen) tot 100 (volledige scheiding). Voor de vergelijkbaarheid kijken we hier alleen naar groepen afkomstig uit islamitische landen (in Nederland Turken en Marokkanen), die in alle landen meer gesegregeerd leven dan andere migranten. In landen met een relatief restrictief integratiebeleid (Duitsland, Frankrijk, Zwitserland) leven moslims duidelijk minder gesegregeerd dan in Nederland, en wederom doen ook de andere landen die migranten een hoge mate van rechtsgelijkheid toekennen het slecht. Ook de relatief sterke etnische segregatie in Nederland is niet van vandaag of gisteren en kan dus niet verklaard worden door recente veranderingen in het integratiedebat.

Deze gegevens lijken erop te duiden dat integratiebeleid "perverse effecten" kan hebben, in de zin dat beleid dat bedoeld is om de integratie te bevorderen juist een tegenovergesteld effect heeft. Het Nederlandse beleid stelde tot een aantal jaren geleden nauwelijks eisen aan de Nederlandse taalkennis bij het verlenen van permanente verblijfsvergunningen en het Nederlanderschap. Dit om migranten zo snel mogelijk toegang tot rechtsgelijkheid te geven, hetgeen geacht werd de integratie te bevorderen. Maar als het effect van zulk beleid is dat migranten te weinig gestimuleerd worden de taal te leren en daardoor mogelijkheden krijgen op de arbeidsmarkt, heeft het goedbedoelde beleid het tegendeel bereikt van wat het beoogde. Het Nederlandse beleid is tolerant ten opzichte van geloofsuitingen van migranten en ziet imams, moskeeën en zelforganisaties als belangrijke intermediairs bij de totstandkoming en uitvoering van overheidsbeleid. Maar als het effect daarvan is dat Nederlandse moslims sterker aan de regels van hun geloof vasthouden dan moslims in andere landen, kan dat ten koste gaan van de sociale contacten met andersgelovigen en daarmee de segregatie in de hand werken. En als sterkere religiositeit samengaat met traditionele opvattingen over de rol van de vrouw – wat meestal het geval is – kan beleid dat ruim baan biedt aan religie een negatief effect hebben op de arbeidsmarktparticipatie van Turkse en Marokkaanse vrouwen.

Omgekeerd kan "streng" beleid, ongeacht de eraan ten grondslag liggende motivatie, positieve effecten op de integratie hebben. Door de sinds enkele jaren geldende inburgeringseisen voor huwelijksmigranten is de import van huwelijkspartners door Turkse en Marokkaanse Nederlanders meer dan gehalveerd. Het gevolg is dat meer kinderen in deze bevolkingsgroepen de komende jaren zullen opgroeien in gezinnen waarvan beide ouders met de Nederlandse taal en samenleving vertrouwd zijn, in plaats van dat het integratieproces iedere generatie weer van voren af aan begint doordat vader of moeder linea recta uit de Rif of uit Anatolie is overgekomen Het zou best eens kunnen zijn dat we over een jaar of tien concluderen dat deze ene, op het oog restrictieve, maatregel de integratie meer goed heeft gedaan dan alle subsidies voor etnische zelforganisaties in de laatste decennia bij elkaar.

Toegegeven, dit zijn hypotheses over de mechanismen die kunnen verklaren waarom goedbedoeld integratiebeleid verkeerd kan uitpakken. Samen met mijn VU-collega Evelyn Ersanilli ben ik bezig deze mechanismen te onderzoeken. "Bewezen" is de theorie van de perverse effecten van integratiebeleid dus niet en dat zal in de strikte zin van het woord ook nooit kunnen. Les één van de wetenschapsfilosofie is namelijk dat geen enkele theorie onomstotelijk bewezen kan worden. Zelfs het idee dat de aarde om de zon draait, is maar een theorie, maar wel één die in overeenstemming is met alle ons bekende feiten, in tegenstelling tot de theorie dat de zon om de aarde draait, die strijdig is met bekende feiten. De beste theorie is degene die het best bij de ons bekende feiten past – "harder" dan dat gaat het in de wetenschap niet. De theorie dat integratiebeleid dat zo weinig mogelijk eisen aan migranten stelt en hen zo snel mogelijk gelijke rechten toekent, de beste manier is om de integratie te bevorderen, is in elk geval overduidelijk niet in overeenstemming met de beschikbare feiten.

Het is daarom raadselachtig dat zoveel integratieonderzoekers er toch aan vasthouden. Misschien willen ze niet zo "naïef" zijn als ondergetekende, wiens woorden volgens Duyvendak c.s "koren op de molen zijn van diegenen die verdere polarisatie voorstaan". De polarisatie in het integratiedebat is echter niet het gevolg van bangmakerij maar van reëel bestaande integratieproblemen. Zolang de politiek geen oplossing vindt voor die problemen, blijft er een voedingsbodem bestaan voor populisme. Aan wetenschappers die blijven vasthouden aan theorieën die niet met de feiten in overeenstemming zijn, heeft de politiek niks – behalve misschien Geert Wilders.

Ruud Koopmans is hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit en onderzoeksdirecteur aan het Wissenschaftszentrum (WZB) in Berlijn. Het onderzoek waarop dit artikel is gebaseerd, is te downloaden via: www.wzb.eu/zkd/mit/pdf/dp_sp_iv_2008-701.pdf

U kunt hier deelnemen aan de Expertdiscussies over integratie

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie