Cultuur maakt wel verschil, beste WRR
Het WRR-rapport ‘Identificatie met Nederland’ legt de oorzaak van achterblijvende inburgering van migranten vooral bij Nederland zelf. Maar de WRR onderbouwt deze stellingname niet met wetenschappelijke feiten.
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) neemt met zijn afgelopen maandag verschenen rapport Identificatie met Nederland stelling in de debatten over nationale identiteit, inburgering en de omgang met culturele verschillen. De raad gaat daarbij de controverse niet uit de weg. Dat is prima, zolang het stoelt op een evenwichtige analyse van wetenschappelijk onderbouwde feiten. De raad baseert zich echter op een empirisch onjuist beeld van de Nederlandse werkelijkheid en schetst een eenzijdig beeld van de problematiek van meervoudige identiteiten. Dat is jammer, want daardoor dreigen ook een aantal zinnige aanbevelingen van de WRR aan geloofwaardigheid te verliezen.
De kern van het rapport is de bewering dat meervoudige identiteiten niet inherent problematisch zijn, maar dat pas worden „zodra anderen van je verwachten dat je een duidelijk afgebakende identiteit bezit. [...] De nadruk op de Nederlandse nationale identiteit en de schijnbare on-onderhandelbaarheid daarvan, kan tot gevolg hebben dat mensen zich zodanig voor het blok gezet voelen dat de mogelijkheden voor identificatie eerder af- dan toenemen.” Deze laatste zin loop als een rode draad door het gehele rapport.
Hiermee worden verschillende zaken onder het tapijt geveegd. Om te beginnen wordt gesteld dat, als er een probleem met meervoudige identiteiten bestaat, dit probleem ontstaat door anderen, anderen die die meervoudigheid niet willen accepteren. Dat is echter een miskenning van het feit dat identiteiten, omdat ze verbonden zijn met emoties, sociale banden en loyaliteiten, wel degelijk met elkaar kunnen botsen – ook als niemand zich ermee bemoeit.
Identiteiten zijn niet altijd en in alle omstandigheden complementair, net zo min als ze altijd en overal zero-sum zijn. Iedereen met een meervoudige identiteit – dus eenieder van ons – weet dat uit ervaring. Het leven zou erg gemakkelijk zijn als het niet zo was. Het rapport doet alsof er duizend bloemen zouden bloeien, als niemand zich met de identiteiten zou bemoeien. Maar het rapport kan hier niet overtuigen.
Wanneer het gaat om anderen die een probleem van meervoudige identiteiten maken, wijst het rapport met de vinger naar slechts één schuldige: het Nederlandse publieke debat en naar de Nederlandse inburgeringseisen, die migranten tot een eenduidige keuze voor Nederland zouden willen dwingen.
Dit beeld is schromelijk overdreven. Er is bij mijn weten geen land in Europa (misschien met uitzondering van Zweden) waar zo’n groot deel van de migrantenbevolking staatsburger is. Daarbij staat Nederland bovendien vrijwel altijd het behoud van de oorspronkelijke nationaliteit toe. De opmerkingen in het rapport over de nadelige gevolgen van de Nederlandse wetgeving die „in principe” verlangt dat men afstand doet van de oorspronkelijke nationaliteit, zijn daarom misplaatst – in de praktijk stelt dit principe nauwelijks iets voor. Zoals bekend wonen in Nederland meer dan een miljoen mensen met twee paspoorten.
Het rapport levert geen bewijs voor de stelling dat het toestaan van de dubbele nationaliteit bevorderlijk voor de integratie is, of dat de geldende (maar nauwelijks uitgevoerde) afstandseis daarvoor een belemmering zou zijn. De meeste migranten in Nederland zijn allang tot Nederlander genaturaliseerd en de meesten daarvan hebben hun tweede paspoort mogen behouden. Dat de achterblijvende identificatie met Nederland te wijten zou zijn aan een te restrictief Nederlands naturalisatiebeleid is daarom strijdig met de elementaire regels van de logica.
Ook de bewering van de WRR dat Nederland een eenduidige keuze voor Nederland zou verlangen, en in het verlengde daarvan een vergaande aanpassing aan de Nederlandse cultuur, is empirisch ongefundeerd. Heeft de WRR de Nederlandse omgang met (orthodox) islamitische kledij en gebruiken misschien vergeleken met die in andere landen? Dan zou zijn opgevallen dat Nederland hierin juist zeer tegemoetkomend is. Leg de uitspraken van de Commissie Gelijke Behandeling en Nederlandse rechters maar eens naast de jurisprudentie van onze Europese buren. Waar wij in Nederland de laatste tijd over discussiëren – boerka’s, handen schudden en dergelijke – is in andere landen geen onderwerp van debat. Niet omdat daar zo tolerant mee wordt omgegaan, maar omdat niemand op het vermetele idee gekomen is om met een boerka het recht op een bijstandsuitkering af te dwingen of als werknemer te weigeren vrouwelijke klanten de hand te schudden. In onze buurlanden discussieert men over zaken die in Nederland al lang en breed gemeengoed zijn: hoofddoekjes of het recht van moslims op eigen scholen of eigen godsdienstonderwijs.
In het WRR-rapport wordt kortom een karikatuur geschetst van de Nederlandse omgang met culturele verschillen en afwijkende identiteiten. Waar de rol van de Nederlandse politiek en media in het problematiseren van meervoudige identiteiten dik wordt aangezet, wordt er door de WRR niet gerept over het feit dat sommige van die identiteiten zelf juist extreem intolerant zijn ten opzichte van meervoudigheid.
Het is zeker waar dat iemand die zich Nederlander én Turk, of Nederlander én moslim voelt, het niet altijd makkelijk heeft. Maar hoeveel moeilijker heeft de Turk of Marokkaan het die verkiest als ongelovige of erger nog: als bekeerd christen door het leven te gaan. Of de Turk die zich openlijk schaamt voor de Armeense genocide. Of de islamitische homo. Of de moslima die haar recht op seksuele zelfbeschikking opeist, of erger nog: die met mannen verkeert die geen moslim zijn.
Onder deze „mengelmensen”, zoals het rapport mensen met meervoudige identiteiten noemt, zijn er helaas veel die hun mengelbestaan alleen in het verborgene kunnen voeren, en sommigen die het niet meer kunnen navertellen. Waar zou de grootste barrière liggen voor „mengelhuwelijken” tussen Turkse, Marokkaanse en autochtone Nederlanders? Bij mijn weten staan Turkse en Marokkaanse Nederlanders niet te trappelen voor dat soort relaties – zelfs in Nederland geboren leden van die groepen zijn voor velen blijkbaar te vernederlandst, getuige het feit dat de grote meerderheid, ook van de tweede generatie, de huwelijkspartner uit het herkomstland van de ouders haalt.
Het is bij het pleidooi voor de mengelmens dus maar een kwestie van wie je wel als zodanig thematiseert en wie niet. Het rapport maakt op dat punt een duidelijke keuze die niet door wetenschappelijke motieven lijkt te zijn ingegeven.
Wanneer het rapport intolerante tendensen binnen sommige minderheidsculturen bespreekt, dan worden deze steevast als een reactie gezien op politiek en media die de moslims in de orthodoxe of radicale hoek drijven. Ook dit is een voorstelling van zaken waarvoor geen bewijs geleverd wordt. Ik weet wel dat dit vaak beweerd wordt – niet in de laatste plaats door die orthodoxen en radicalen zelf – maar dat maakt de bewering nog niet waar.
Een voorbeeld hiervoor is het in het Nederlandse debat veelvuldig herhaalde idee dat moslima’s tegenwoordig vaker een hoofddoek dragen als reactie op de negatieve beeldvorming over moslims. Het wachten is nog steeds op onderbouwing van dit geloofsartikel. Als de redenering klopt, zou het in elk geval zo moeten zijn dat er in landen als Frankrijk en Duitsland – waar aanmerkelijk minder tegemoetgekomen wordt aan culturele verlangens van moslims – een nog sterkere van-de-weeromstuit orthodoxie te vinden moeten zijn in de vorm van hoofddoek- en niqaabdraagsters, handenweigeraars, homo-van-flat-afgooi-imams en dergelijke. En dat is niet het geval.
Het enige land in Europa dat wat dit betreft op Nederland lijkt, is het Verenigd Koninkrijk – juist ook een land dat tegemoetkomend is ten opzichte van culturele wensen van minderheden. Daar weigeren moslimtaxichauffeurs blindengeleidehonden die haram zouden zijn, terwijl je in het Berlijnse Kreuzberg regelmatig moslimfamilies een ommetje ziet maken met hun trouwe viervoeter.
Een te sterke nadruk op identificatie van migranten met Nederland is volgens de WRR tot falen gedoemd. Het rapport ziet de Nederlandse identiteit namelijk als ‘secundair’. De etnische en religieuze identiteiten van migranten worden daarentegen als ‘primair’ gezien, meer robuust en moeilijker veranderbaar. Een verstandige identiteitspolitiek moet zich aan dat gegeven aanpassen. “In het kader van de zoektocht naar nationale identiteit is het dus van belang te beseffen dat secundaire identificatie altijd volgt op een proces van primaire identificatie dat zich reeds voltrokken heeft”, zoals het rapport stelt.
Dat de gevoelsband met het land van herkomst voor de eerste generatie migranten “primair” blijft, is plausibel. Maar waarom gaat de WRR er (impliciet) vanuit dat dit onverkort ook geldt voor de in Nederland opgegroeide of zelfs geboren generaties? Waarom zou voor de tweede generatie de Nederlandse identiteit secundair moeten zijn? Waarom zouden de footprints, zoals het rapport de primaire identificatie noemt, van in Nederland geboren en getogen kinderen niet in het land liggen waar ze hun eerste stapjes hebben gezet? De WRR lijkt het als een onvermijdelijk natuurgegeven te beschouwen dat veel van die kinderen (zoals het rapport laat zien vooral die van Marokkaanse en Turkse afkomst) zich in eerste instantie met het land van herkomst van hun (groot)ouders identificeren.
Is het echt geen probleem en is het echt onvermijdelijk dat die jongeren met hun hart meer voor Marokko en Turkije voelen dan voor Nederland? Hebben voetballers van Marokkaanse afkomst die voor Oranje spelen, verkeerd begrepen waar hun primaire identificatie ligt? Hoe kan het voor de integratie bevorderlijk zijn als de samenleving zich er al op voorhand bij neerlegt dat de identificatie met Nederland ondergeschikt is?
Tenslotte zwalkt het rapport tussen drie verwijten aan degenen die het belang van een Nederlandse identiteit en gemeenschappelijke fundamentele waarden benadrukken: 1) dat niet duidelijk is wat die identiteit uitmaakt; 2) dat „onder de vlag van fundamentele waarden [...] onderwerpen als gelijkheid van man en vrouw, gelijkheid van homoseksuelen, verhouding tussen religieuze vrijheid en vrijheid van meningsuiting en problemen als eerwraak en vrouwenbesnijdenis” steeds meer besproken worden; en 3) dat hier „bovenal rechtstatelijke waarden en vrijheden die voor alle westerse landen gelden” bedoeld worden.
Je kunt het blijkbaar nooit goed doen. Of je blijft te vaag. En als je concreet wordt, is dat blijkbaar niet legitiem. En kennelijk is het ook een probleem als fundamentele waarden voor meer landen dan alleen Nederland gelden. Is dat niet wat die waarden fundamenteel, wellicht zelfs universeel maakt?
Al met al leunt dit WRR-rapport sterk op slecht onderbouwde beweringen. Het is daardoor vooral een normatieve interventie in het publieke debat geworden.
Door zich onvoldoende bij zijn wetenschappelijke leest te houden, brengt de WRR zijn eigen legitimiteit in gevaar en dreigt ook daar aan geloofwaardigheid in te boeten waar hij beslist ook zinnige dingen te zeggen heeft – bijvoorbeeld het pleidooi voor het tegengaan van segregatie in het onderwijs en het afschaffen van het begrip allochtoon.
Meningen hebben we in het integratiedebat al genoeg, kennis over feiten en samenhangen veel minder. Jammer genoeg levert het WRR-rapport van het laatste te weinig en van het eerste te veel.
Ruud Koopmans is hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en onderzoeksdirecteur aan het Wissenschaftszentrum in Berlijn (WZB).
Het rapport Identificatie met Nederland van de WRR is hier te lezen.
