Vredeling, ongepolijst minister, gedreven Europeaan

Henk Vredeling, 1976.
Door J.M. Bik

Henk Vredeling trok jarenlang sporen in Den Haag en Brussel. Denker, doener, loyaal PvdA’er – meestal. Minister, zonder ontzag voor autoriteiten.

Den Haag, 1 nov. Kan dat, een minister van Defensie die zegt „allergisch” voor uniformen te zijn en die zijn departement af en toe „mijn gevangenis” noemt? Kan zo’n minister zijn collega’s en prins-gemaal Bernhard openlijk en in krasse termen kritiseren en achteraf niettemin als een goede en sterke bewindsman en snelle beslisser worden gevierd? Ja, dat kan. De zaterdag op bijna 83-jarige leeftijd overleden landbouwingenieur Henk Vredeling heeft dat aangetoond. Namelijk tussen mei 1973 en januari 1977, toen hij, na zeventien jaar Tweede Kamer en vijftien jaar Europees Parlement, minister van Defensie in het roemruchte kabinet-Den Uyl was.

In dit meest linkse kabinet dat Nederland ooit kende, werd de oud-vakbondsman de eerste socialistische minister op Defensie, waar hij ook nog aankwam met een ingrijpende bezuinigingstaak (1,5 miljard in vier jaar). Hij zou een zeer eigensoortige minister zijn in een kabinet sui generis dat grote hervormingsplannen had, maar voor een parlementaire meerderheid steeds afhankelijk was van „gedoogsteun” van KVP en ARP, voorlopers van het CDA. Dit kabinet bestond uit heel gevarieerde karakters, zodat het wel eens „vechtend over straat rolde”. Van hen was Vredeling misschien wel de meest bijzondere.

Als Europees en nationaal landbouwspecialist, en kampioen vragensteller over Europese landbouwpolitiek, wilde Vredeling eigenlijk niet naar dat ministerie aan het Haagse Plein. Maar toen partijleider Den Uyl, ook van gereformeerde komaf, erop stond dat hij dat zou doen, zwichtte hij als trouwe partijman. In de bovenste la van zijn bureau bewaarde hij in de jaren daarna een spiekbriefje waarop hij kon zien welke strepen en sterren bij welke militaire rang hoorden, zodat hij wist wat voor hoofd- of opperofficier tegenover hem zat. Ontzag voor rangen had hij niet, wat bleek uit zijn snelle afwikkeling van het ‘generaalsconflict’. Deze slepende controverse tussen Haagse generaals (de ‘bloedraad’) en een groep officieren rondom de toenmalige legerkorpscommandant ging over de aanpassing van de legerorganisatie aan krappere tijden. Van weerskanten werd in beide kampen gedreigd met ontslag, wat de minister steeds prompt verleende.

Na verzetswerk, een onderduikperiode en met een oorlogstrauma voltooide hij in 1950 zijn studie landbouw in Wageningen. Van dat trauma heeft hij de rest van zijn leven veel last gehad. Dat hij een soms stevige drinker was, had daarmee naar eigen zeggen wel wat te maken.

Die dorst zorgde af en toe voor buitengewone openhartigheid. Een spectaculair voorbeeld daarvan leverde een interview in Vrij Nederland, eind augustus 1974. Daarin zei hij onder meer: „Die jongens van Nieuw Links hebben niet in de gaten dat de PvdA internationaal niets voorstelt. De PvdA is zo nationalistisch als de pest. Joop den Uyl is de grootste nationalist die er bestaat. Dat heb ik hem recht in zijn smoel gezegd, in een ministerraadsvergadering.” En, over zijn collega Van der Stoel, minister van Buitenlandse Zaken, die volgens hem te veel achter zijn ambtenaren aanliep: „Baron van hier tot gunder, laat ze barsten. Max van der Stoel loopt er achter aan met z”n bekkie.” Voorts over Jozef Luns, toen secretaris-generaal van de NAVO: „Die man irriteert me zó geweldig. Als ik die vent nog één keer voor de voeten krijg, schop ik hem de goal in. Hij praat naar hij verstand heeft en dat is niet veel.”

Vredeling overleefde dat interview, Den Uyl wilde hem niet kwijt. Vredeling overleefde ook dat hij eind 1973 Israël in de Yom Kippoeroorlog zonder voorkennis van het kabinet militair materieel had laten leveren, wat aan de Arabische olieboycot van Nederland bijdroeg.

Trouw aan de PvdA was Vredeling, maar niet tot elke prijs. „Congressen kopen geen straaljagers”, zei hij in 1975, toen een meerderheid in de PvdA tegen zijn keus van de Amerikaanse F-16 voor de luchtmacht was.

De ironie wilde dat hij eigenlijk liever een ‘Europees’ vliegtuig als de Franse Mirage had besteld, maar dat kon kwalitatief niet op tegen de Amerikaanse concurrent. Dat was een bittere pil voor de denker die de ‘doener’ Vredeling óók was. Een denker die jarenlang had gepleit voor meer gemeenschappelijk buitenlands beleid en een sterkere gemeenschappelijke defensie-industrie in Europa. En die hardop nadacht over een sterker Europa tussen Moskou en Washington, een Europa dat zijn nucleaire potentie, zijn nucleaire optie, eventueel zou kunnen inzetten in onderhandelingen met de Sovjet-Unie. Bijvoorbeeld om de Russen, gegeven het strategisch-nucleaire pat tussen de beide supermachten, er ooit toe te bewegen hun op Europa gerichte tactische raketten te verwijderen.

Geen wonder dat Vredeling later, anders dan zijn partij, voorstander was van plaatsing van kruisraketten in Nederland en Europa. Ze zouden de koppeling van de Europese veiligheid aan de Amerikaanse strategische kernmacht kunnen versterken.

Overigens leverde de geplande plechtige ondertekening van dat ‘contract van de eeuw’ voor de F-16 opnieuw mooi anekdotisch materiaal over de minister op. Vredeling was op de tekeningsdag onvindbaar. Pas na een zoektocht van secretaris-generaal Peijnenburg werd hij ’s morgens, vroeg, maar niet dauwfris, in gezelschap van enkele eveneens dorstige journalisten ontdekt in een Leids café. Ook dat liep goed af, zó goed zelfs dat anderhalf jaar later niemand bezwaar maakte tegen zijn benoeming tot lid van de Europese Commissie (sociale zaken), van 1977 tot 1981. Een kleurrijke man was thuisgekomen in Europa.

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Binnenland