Justitie wil af van taakstraf voor verkrachting

Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA).
Door een onzer redacteuren

Den Haag, 1 juli. Taakstraffen mogen in beginsel niet meer worden opgelegd bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Tegelijk wordt het bestraffende karakter van taakstraffen verhoogd.

Dit schrijft minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) vandaag aan de Tweede Kamer. Uitzonderingen zijn alleen mogelijk als het feitelijk strafbare gedrag van minder ernstige aard is. Als voorbeeld geeft het kabinet een „opgedrongen tongzoen” die juridisch onder het ernstige misdrijf verkrachting valt. Bij uitzondering moet dan een taakstraf mogelijk blijven.

Aanleiding voor de verscherping is een onderzoek door de rechterlijke macht naar de strekking van de tv rubriek Zembla vorig jaar over taakstraffen. Daarin werd gesteld dat rechters tegen de bedoeling van de wetgever in vaak taakstraffen opleggen bij ernstige misdrijven. Ook zouden officieren van justitie tegen de richtlijnen in taakstraffen eisen waar vrijheidsstraffen waren voorgeschreven. Uit het onderzoek van het Openbaar Ministerie (OM) en de Raad voor de rechtspraak blijkt dat Zembla zich heeft gebaseerd op onbetrouwbare gegevens, en daarvoor van tevoren was gewaarschuwd. De foutenmarge was het grootst bij de ernstigste misdrijven. Zembla stelde vorig jaar dat bij moord, doodslag en verkrachting taakstraffen voorkwamen. Ook zou de rechter taakstraffen ‘stapelen’.

Uit een interne steekproef naar 169 zaken uit 2006 blijkt nu dat bij moord of doodslag door de rechter geen enkele taakstraf is opgelegd. Bij taakstraffen voor ernstige misdrijven was dat „nagenoeg altijd” bij lichtere gevallen. In minder dan tien procent van de gevallen blijkt de rechter daarbij te zijn afgeweken van het standpunt van het parket of de reclassering.

De eisen die het OM stelde waren op een klein aantal zaken na in overeenstemming met de interne regels. In 28 van de 169 zaken legde de rechter een taakstraf op, terwijl de officier een celstraf eiste. Twee externe deskundigen, de hoogleraren T. Prakken en G.J. Knoops, kwamen tot het oordeel dat in 21 gevallen het vonnis „te billijken” was. In één zaak vonden beiden het vonnis te licht. In zes andere zaken verschilden zij van mening. Beiden vinden wel dat de rechtbanken scherper moeten motiveren. Er is wat hen betreft „geen enkele reden tot verontrusting”.

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Binnenland