In elke klas zitten ze, zwakke lezers
Begrijpend lezen is lastig voor scholieren die soms de gewoonste woorden niet kennen. De Taalunie ziet hierin een taak voor alle docenten, ook al geven ze biologie of zelfs wiskunde.
Rotterdam, 16 sept. Het is een veelgehoorde klacht onder leraren: middelbare scholieren kennen soms de gewoonste woorden niet. Een woord als ‘immers’. Snappen ze niet. En het zijn niet alleen allochtone leerlingen die bij dat soort woorden de greep op een tekst kwijtraken. Daar kun je over zuchten, maar het is beter om er wat aan te doen, vindt Sjoukje de Vries, docent Nederlands aan de Kamerlingh Onnes-locatie van het Reitdiep College in Groningen.
Op haar school probeert een werkgroep de aandacht voor taal bij alle vakken te vergroten. „Veel leraren worstelen met de problemen die hun leerlingen hebben met lezen.” Woorden als ‘immers’ maar bijvoorbeeld ook ‘beschouwen’, ‘constateren’ en ‘onderscheiden’ zijn volgens haar voor leerlingen geen gewone woorden. „Dat soort woorden kom je alleen tegen in diepgravende teksten. Maar leerlingen lezen die bijna nooit. Ze lezen snel en vluchtig en uitgevers passen de schoolboeken daarop aan. In de lagere klassen zijn die tegenwoordig heel vaak gestructureerd in kleine brokjes tekst die ook nog eens opgeleukt over de pagina’s gestrooid zijn. Daar leer je niet begrijpend door lezen.”
Dit wordt bevestigd door onderzoek. In 2006 meldde de Onderwijsinspectie dat 15 procent van de leerlingen aan het eind van groep acht niet vlot en met begrip een tekst kan lezen. De Groningse taalkundige Hilde Hacquebord concludeerde in 2004 dat 25 procent van de middelbare scholieren – in alle jaren en op alle schooltypen – niet in staat is hun schoolboeken zelfstandig met begrip te lezen. In elke klas zitten ze, die zwakke lezers. „Het gaat hier om wat we tegenwoordig ‘functioneel analfabetisme’ noemen”, zegt Hacquebord nu. „Deze kinderen kunnen technisch vaak prima lezen. Ze decoderen de woorden, maar begrijpen niet goed genoeg wat ze lezen.”
In de recente Week van de Alfabetisering kwam de Nederlandse Taalunie daarom met het rapport Aan het Werk!, een analyse van en adviezen voor de aanpak van leesproblemen bij tien- tot achttienjarigen. Hacquebord is een van de opstellers van het rapport. Er is de laatste jaren dankzij de stichting Lezen & Schrijven veel aandacht voor laaggeletterdheid in Nederland, zegt zij. En er zijn tal van initiatieven om mensen alsnog (beter) te leren lezen. „Maar dat zijn allemaal volwassenen, die al van school af zijn”, zegt Hacquebord. „Ons rapport gaat over preventie.”
Die moet uiteraard op de basisschool beginnen. „De aandacht voor technisch lezen is er wel”, zegt Hacquebord, „maar die moet gelijk opgaan met begrijpend lezen.” Dat is: woordenschat vergroten, maar ook de hoofdgedachte uit een tekst halen, hoofdzaken van bijzaken leren onderscheiden, de structuur snappen. Van steeds moeilijker en langere teksten. „Begrijpend lezen wordt in het voortgezet onderwijs weinig gedaan en dan vooral met literaire teksten”, zegt Hacquebord. „Dat is ook belangrijk. Maar dat functionele lezen móet je blijven trainen.”
Volgens het rapport van de Taalunie ligt daar niet alleen een taak voor de leraren Nederlands, maar juist ook voor de vakdocenten. Leraren geschiedenis, aardrijkskunde, economie. En biologie en zelfs wiskunde. „Wiskunde is een stuk taliger geworden”, zegt Hacquebord. „Ik ga me niet mengen in de discussie of dat goed is of niet. Maar áls je vindt dat het beter is dat kinderen vanuit een context feiten of sommen leren, dan moet je ook oog hebben voor de context die je aanbiedt. Hoe vaak zeggen leraren niet ‘zoek maar een tekst op internet bij dit onderwerp’ zonder daarna te letten op de toegankelijkheid van zo’n tekst.”
„Je moet ze helpen met zoeken”, vindt ook De Vries. „En hen leren dat ze niet ongericht van die lappen teksten moeten gaan doorzwoegen. Daar wordt lezen niet leuker van.” Het Kamerlingh Onnes organiseert elke vrijdag het ‘taalatelier’ waar leerlingen – soms verplicht, vaak vrijwillig – worden bijgeschoold in onder meer lezen. „Wij willen leerlingen laten zien dat het loont om beter te kunnen lezen. Dat ze dan wél die economieopdracht kunnen maken”, zegt De Vries. „We gaan ook met de leerlingen op zoek naar wát ze moeilijk vinden in een tekst en waaróm ze iets niet snappen.”
Dat zouden meer scholen moeten doen, vindt Hacquebord. Het rapport van de Taalunie pleit er in de eerste plaats voor om op lerarenopleidingen bij alle vakken aandacht te besteden aan leesvaardigheidstraining. Ook zou elke school een taalbeleid moeten hebben, zoals het Kamerlingh Onnes. Maar de leraar die nu voor de klas staat, kan ook al wat doen. „Al is het maar de docent Nederlands die een keer zegt ‘pak allemaal je biologieboek, dan gaan we eens lezen wat daar eigenlijk staat’.”
