‘Toen begonnen ze af te tellen...’
Tien nabestaanden van het bloedbad in het Indonesische Rawagede (1947) stellen Nederland alsnog aansprakelijk. Ze eisen geld en excuses.
Balongsari, 17 sept. „Ik had nooit gedacht dat ze ons gingen vermoorden, want wij waren gewone mensen”, vertelt Saih. „Ik realiseerde het me pas toen ze begonnen af te tellen.” In het Nederlands doet hij na: „Eén, twee, drie…” Drie soldaten begonnen de mannen van achteren te beschieten.
Volgens de telling van het dorp schoten zij bijna alle mannelijke inwoners dood, 431 mensen. Tijdens standrechtelijke executies, terwijl ze wegrenden of toen ze zich verscholen in de rivier.
Saih, nu ver in de tachtig, is een van de tien overlevenden en nabestaanden die 61 jaar na dato vragen om excuses en compensatie voor het bloedbad dat Nederlandse soldaten op 9 december 1947 in Rawagede aanrichtten. Advocaat Gerrit Jan Pulles stelde vorige week samen met het Comité Nederlandse Ereschulden de Nederlandse regering aansprakelijk voor het bloedbad. Dat deed hij namens de tien nabestaanden, onder wie Saih.
Net als vele andere mannen verschool Saih, die groentenverkoper was, zich in de rivier toen de Nederlanders kwamen. Zijn lichaam onder water, zijn hoofd in een holletje dat hij had uitgegraven in de bedding. Maar de vier speurhonden van de soldaten ontdekten hem. Zijn kompaan riep merdeka, onafhankelijkheid, en werd doodgeschoten. Saih gaf zich over en moest meekomen.
Op die negende december in 1947 regende het hard. Het dorp Rawagede (groot moeras) op West-Java was overstroomd. De Nederlandse militairen zochten er naar Lukas Kustario, een strijder voor de Indonesische onafhankelijkheid, maar die was de dag ervoor vertrokken.
Saih moest na zijn overgave zitten in kleermakerszit, samen met dertien andere mannen onder wie zijn neef en zijn vader. Steeds twee achter elkaar, Saih zat vóór de zoon van het dorpshoofd. De Nederlanders vroegen waar Lukas Kustario was. De schutters zagen er niet Nederlands uit, volgens Saih, ze hadden een donkere huid. Twee witte Nederlanders keken toe. Saih werd geraakt in zijn rug, maar de kogel was eerst door de zoon van het dorpshoofd heengegaan en had zijn kracht verloren.
Toen diens dode lichaam over hem heen viel, deed Saih alsof hij ook dood was. Bij het laatste salvo werd Saih geraakt in zijn arm. Maar hij leefde nog – als enige – en toen de soldaten waren weggelopen, kon hij via de rivier vluchten.
Het onderzoek dat de Nederlandse regering in 1969 liet doen naar oorlogsmisdaden in Indonesië, de excessennota, spreekt over 150 doden in Rawagede.
De voorzitter van het Comité Nederlandes Ereschulden, Batara Hutagalung, kreeg interesse voor de oorlogsmisdaden toen hij eind jaren negentig de ongepubliceerde memoires van zijn vader las, vertelt hij. Daarin las hij over het bombardement op Surabaya in 1945. Het werd uitgevoerd door de Engelsen, die de Nederlanders hielpen hun kolonie terug te krijgen. Naar schatting kwamen 20.000 mensen om het leven.
„Het was voor het eerst dat ik geconfronteerd werd met de gebeurtenissen van toen”, zegt Hutagalung. Tot 1992 woonde hij 27 jaar in Duitsland. „Daar zag ik dat de nazi’s nog werden berecht en werden opgespoord tot in Zuid-Amerika. Dus ik dacht: waarom gebeurt dat hier niet?”
Zijn stichting vroeg met succes excuses en compensatie aan de Britse regering voor het Surabaya-bombardement. Daarna begon zij de zaak-Rawagede. Maar tot nu toe is de Nederlandse regering „koppig”, zegt Hutagalung. Dat voormalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot in 2005 ‘spijt’ betuigde over het geweld, is volgens hem niet genoeg. „Spijt is iets anders dan excuses. Ik begrijp niet waarom het zo moeilijk is sorry te zeggen.”
Rawagede heet inmiddels Balongsari. Zoals velen op Java hebben de meeste bewoners er maar één naam. Er staat een groot monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers, met een begraafplaats waar in 1995 een aantal van hen opnieuw werd begraven. De rivier waar Saih zich verschool, is nu een klein stroompje vol vuilnis.
Balongsari is een fleurig dorp dankzij de mooie, gekleurde huizen die de bewoners neerzetten met geld uit het Midden-Oosten, waar veel vrouwen tijdelijk werken als hulp. Maar volgens het dorpshoofd is Balongsari nog steeds arm. De meeste van de ruim drieduizend bewoners werken op het land of maken kroepoek.
In een van die fleurige huizen woont de 86-jarige Tijeng. Binnen liggen overal matrassen: er wonen vijftien mensen van vijf generaties. Tijeng gaf haar dochter – nu ook een oud vrouwtje – borstvoeding toen haar man Nimong naar zijn rijstveld probeerde te vluchten voor de Nederlanders. Hij kwam niet ver: hij werd gevangengenomen en doodgeschoten. Drie dagen later doorzocht Tijeng stapels lijken, op zoek naar zijn lichaam. Tijeng: „Sommige mannen kende ik, sommige niet.”
Als Tijeng een baby ziet, moet ze weer denken aan hoe hulpeloos ze zich destijds voelde. „Ik wist niet wat ik moest doen, ik had een baby, ik kon niet werken.”
Saih en Tijeng kennen de details van hun claim niet, ze hebben alleen hun duimafdruk gezet en hun foto laten nemen. Boos zijn ze niet meer op de Nederlanders. Maar enige geldelijke compensatie zou welkom zijn. Tijeng heeft geen geld om iets te laten doen aan het gezwel in haar oor, wat haar gezicht begint te belemmeren. En Saih zegt: „Het hoeft niet veel geld te zijn, ik hoef geen auto of zo. Alleen een beetje om prettig te leven tot ik doodga, en om mijn kinderen en kleinkinderen een beter leven te laten leiden.”
|
Verzoek om excuses en smartegeld voor ‘geplande massamoord’ Tien Indonesiërs hebben vorige week de Nederlandse staat aansprakelijk gesteld voor de militaire actie op 9 december 1947 in het dorp Rawagede (West- Java). Militairen zouden daar 431 jongens en mannen gedood hebben nadat zij vergeefs gezocht hadden naar de Indonesische verzetsstrijder Kustario. De actie, in een VN-rapport omschreven als „meedogenloos”, staat ook vermeld in de Nederlandse excessennota, uitgebracht in 1969. Volgens die nota vielen slechts 150 slachtoffers. De Nederlandse premier en de ministers van Buitenlandse Zaken, Justitie en Defensie zijn vorige week door negen weduwen en één overlevende van de militaire actie formeel aansprakelijk gesteld voor het bloedbad. Volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken is de claim in goede orde ontvangen en wordt die momenteel bestudeerd. „Daarna hoort de advocaat van ons”, aldus de voorlichter. Drie oud-militairen die betrokken waren bij de politionele acties en een pastor uit Den Haag vroegen eind vorig jaar in een ingezonden stuk in Trouw de Nederlandse regering de wandaad te erkennen en excuus aan te bieden. Het Comité Nederlandse Ereschulden vraagt al jaren om excuses en smartegeld voor de „geplande massamoord”. De Vereniging Oud-Militairen Indiëgangers wil niet inhoudelijk reageren op de claim. „Dit is een oud verhaal en we houden ons even op de achtergrond. Ondertussen wachten we rustig de ontwikkelingen af”, zegt vicevoorzitter K. Orsel. |
