GGD: die 1.200 gegevens per kind hebben we nodig
Het elektronisch kinddossier bestaat nog niet eens, maar de opslag van bijna 1.200 gegevens per kind ligt al onder vuur. „Dit is alleen een digitaliseringsslag”, zegt de GGD.
Utrecht, 29 sept. Consultatiebureaus en schoolartsen gaan begin volgend jaar alle papieren dossiers over alle kinderen opslaan in de computer. Zie daar het ‘elektronisch kinddossier’.
Maar deze opslag van bijna 1.200 gegevens per kind, 23 jaar lang, is een onaanvaardbare schending van de privacy, schreven de Eerste Kamerleden Heleen Dupuis en Anne-Wil Duthler (VVD) vorige week in deze krant. Twee bestuursleden van GGD Nederland – voorzitter Ed d’Hondt en Monique Kavelaars, tevens directeur van GGD Eemland – vinden opslag van de data noodzakelijk.
Waarom willen de GGD’s zo veel gegevens over kinderen opslaan?
Kavelaars: „We slaan alle gegevens over de ontwikkeling van kinderen al jaren op, maar dan in papieren dossiers. Dit is alleen een digitaliseringsslag. Als een kind verhuist, houden we dat kind in beeld in plaats van dat het papieren dossier zoekraakt of niet wordt opgestuurd. In beginsel verzamelen we de gegevens tijdens twintig contactmomenten tussen de geboorte van het kind en zijn negentiende jaar. Ons doel is een zo gezond mogelijke ontwikkeling van kinderen te bevorderen, problemen tijdig te signaleren en de hulpvraag tijdig bij de juiste hulpverlener krijgen. Bijna een op de zes kinderen heeft hulp nodig. Op basis van al deze gegevens kunnen wij ook gemeenten adviseren over het te voeren gezondheidsbeleid.”
Het aantal maanden dat een moeder borstvoeding geeft, wordt opgeslagen, net als de ‘opvoedstijl’. Wat is de relevantie daarvan, zeker als het kind negentien is?
Kavelaars: „Wát we opslaan, doen we op basis van wetenschappelijke en professionele inzichten over kinderen. Het is waar dat die veranderen in de loop der jaren. Als een inzicht gedateerd is, wordt het aangepast. Maar de ontwikkeling van kinderen ís ook niet eenvoudig. Het is niet zo dat als ‘a’ gebeurt, ‘b’ het gevolg is.”
Sommige kinderartsen vinden dat consultatiebureaus zich moeten houden aan hun oorspronkelijke, medische taak: inenten ter preventie van epidemieën zoals kinkhoest en de fysieke ontwikkeling meten.
Kavelaars: „Daar is discussie over, maar de meerderheid vindt dat we ouders ook moeten voorlichten over de ontwikkeling van kinderen en opvoeding. Soms moet er worden ingegrepen voordat een gezin of kind ontspoort. Vaak kun je erger voorkomen door ouders te motiveren om hulp te zoeken.”
Waarom zo veel gegevens van álle kinderen bewaren? Waarom niet alleen van kinderen over wie er harde aanwijzingen zijn dat ze het niet goed maken?
Kavelaars: „Als je niet alle gegevens opslaat, kun je er later ook niet op terugvallen. Neem de moeder die laatst belde met de vraag of haar zoon anorexia heeft. Ze gaf zijn leeftijd, gewicht en lengte door en wilde weten: is hij dan te licht? Maar zo eenvoudig is dat niet. De arts moet kunnen kijken naar de groeicurve in het verleden. Was die jongen altijd al licht?”
Als de schoolarts zorgen heeft over een kind, vinden sommige ouders het vervelend als de overheid subjectieve gegevens uit het verleden erbij haalt. ‘Heeft Pietje slechte cijfers? Hier staat dat moeder altijd al een ongeduldige opvoedstijl had en geen borstvoeding gaf.’
Kavelaars: „De professionals van de GGD zijn heus in staat om informatie te wegen en te interpreteren. Het gaat in gezinnen om de draaglast en draagkracht van ouders. Als ouders door een scheiding tijdelijk weinig aandacht hebben voor hun kind, maar er staat een stevig netwerk van familie en vrienden omheen, dan is de draagkracht van dat gezin groter. Als een kind last heeft van de scheiding, dan kun je juist in zo’n dossier zien of die last tijdelijk is. Als blijkt dat hij zich altijd goed ontwikkelde, dan kunnen de professionals zien dat hij sterk genoeg is om die tijdelijke last te dragen.”
Gezinnen die voldoen aan ‘risicokenmerken’, kunnen het desondanks prima doen?
D’Hondt: „Zeker. Maar risicokenmerken registreren is niet zo vreemd. Verzekeraars werken alleen maar met harde en zachte risico’s. Daar rekenen ze mee en daar leven ze van.”
Dat zijn toch hardere gegevens dan de emotionele en sociale ontwikkeling van kinderen?
D’Hondt: „Ja. Maar we willen dat kinderen over wie ernstige zorgen bestaan – op het gebied van mishandeling of verwaarlozing – niet meer tussen wal en schip vallen. Zoals de peuter Savanna. De samenleving verwacht veel van de overheid op dit gebied.”
Het is niet verplicht om het consultatiebureau te bezoeken. Drie tot vijf procent van de ouders doet dat niet. Zijn zij dan verdacht?
Kavelaars: „Nee, maar als ze niet komen, hechten we er wel aan te weten waarom dat is. We zoeken dan een manier om toch contact te leggen. De meeste ouders komen overigens graag bij ons. Dat willen we zo houden.”
U kunt alleen gegevens van een kind aan derden doorgeven als ouders daarmee instemmen. Wat als ze weigeren?
Kavelaars: „Dan houdt het op. Ten minste, als de professionals geen reden hebben tot ernstige zorg over het kind.”
