Op Vrije scholen scoort kind laag

Door onze redacteur Japke-d. Bouma

Rotterdam, 27 febr. Leerlingen op Vrije scholen in het voortgezet onderwijs scoren „fors” lager op wiskunde, Nederlands en probleemoplossend vermogen dan leerlingen op andere ‘witte’ scholen. Deze achterstand halen ze niet meer in.

De Vrije scholen (in Nederland in totaal 20.000 leerlingen in het basisonderwijs en 7.000 in het voortgezet onderwijs) zijn gebaseerd op het antroposofische gedachtengoed van Rudolf Steiner. Ze geven relatief meer aandacht aan de creatieve en maatschappelijke ontwikkeling van kinderen met onder andere toneel, muziek en algemene vorming. De scholen scoren wel hoger op een aantal niet-cognitieve aspecten.

Dit stelt onderwijskundige Hilde Steenbergen. Ze promoveert op 12 maart op het onderwerp aan de Rijksuniversiteit Groningen. Haar onderzoek is het eerste naar de effectiviteit van Vrije scholen.

Volgens Steenbergen presteren kinderen op Vrije scholen in het voortgezet onderwijs slechter op cognitieve vakken doordat ze veelal hun vooropleiding hebben genoten op Vrije scholen in het basisonderwijs. En daar hebben ze cognitieve vakken minder goed geleerd, zegt Steenbergen. De cognitieve achterstand lopen de leerlingen vervolgens niet meer in, zegt zij.

Vrije schoolleerlingen zijn over het algemeen wel milder, meer geneigd anderen te helpen, en ze zijn autonomer. Ze zijn ook gemotiveerder om te leren, kunnen beter plannen, en hebben een betere relatie met hun docent. Verder zijn ze er meer van overtuigd dat ze het goed doen op school, dan leerlingen in het reguliere onderwijs. Maar ze zijn wel onzekerder en emotioneel minder stabiel.

De Vrije scholen scoren volgens Steenbergen wel significant beter op een aantal niet-cognitieve aspecten. „Maar een aantal zaken die staan voor de ‘eigenheid’ van Vrije scholen, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van ‘creativiteit’ heb ik niet gemeten.”

De Inspectie van het Onderwijs stelde in september 2007 dat Vrije scholen in het basisonderwijs gereorganiseerd moesten worden, omdat ze niet voldoende konden verantwoorden wat ze hun leerlingen leerden. Steenbergen toont nu voor het eerst aan dat de opbrengsten aan het einde van de Vrije basisschool ook lager zíjn.

Van de veertig ‘zeer zwakke basisscholen’ op de lijst van de inspectie in 2004 waren er 14 een Vrije school. De Inspectie vond toen dat de Vrije scholen hun leerlingen sneller moesten leren rekenen en schrijven. Ze moesten de kinderen ook meer gaan toetsen. Dit staat haaks op het gedachtengoed van Steiner (1861-1925).

De Vereniging van Vrije scholen is van te voren in kennis gesteld van de inhoud van het proefschrift, zo zegt een woordvoerder in een reactie. De vereniging kan zich niet vinden in de uitspraak dat er een „fors verschil” is in cognitieve vakken, maar vindt het een „opmerkelijk verschil”, zegt een woordvoerder. Het proefschrift is „goed onderbouwd”, vindt de vereniging. „We zien dit als een positieve bijdrage voor verbeteringen en aanpassingen in de komende jaren.”

In 2006 heeft de Vereniging een ‘taskforce Zwakke Scholen’ ingesteld die een verbeterplan uitvoert. Van de destijds zeventien zeer zwakke scholen resteren er nog zes, zegt de vereniging.


Lees vandaag een interview in NRC Handelsblad met onderzoekster Hilde Steenbergen. (Digitale editie)

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Binnenland
Nieuwsbrief
Nieuwsbrief