Het bestuur? Daar zit de school niet op te wachten
Steeds meer personeel op de stafafdelingen. Programma’s waarop niemand zit te wachten. Mensen die zich ineens manager noemen. De onvrede op scholen over hun besturen is groot.
Rotterdam, 10 april. Jan Menger vindt het gek dat zijn schoolbestuurder op zakenreis kan naar New York en Rome, terwijl er op school moet worden bezuinigd.
Daar is de orthopedagoog ontslagen, het vak Spaans geschrapt en zijn de klassen uit geldgebrek groter geworden, zegt Menger. Hij is voorzitter is van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van de Stichting Voortgezet Onderwijs Zuid-Oost Utrecht. Menger wil weten hoe dat zit.
Een schooldirecteur uit het midden van het land wil weten waarom hij geld moet vragen van ouders als hij een speeltoestel wil kopen. Terwijl hij jaarlijks wel veel geld aan zijn bestuur afdraagt.
Dit zijn maar twee voorbeelden van een felle discussie die woedt in het onderwijs. Daarin liggen de schoolbesturen onder vuur, de bazen van de scholen. Verdelen zij het geld wel goed? Blijft er genoeg over voor de klas? Of gaat er te veel geld naar dikbetaalde bestuurders, naar stafbureaus, naar bureaucratie, naar overhead?
Deze krant sprak de laatste maanden met tal van leden van medezeggenschapsraden, bestuurders, schooldirecteuren, ouders en docenten over dit thema. De emoties liepen soms hoog op.
|
Er zijn ook ondervraagden die heel tevreden zijn. Zij zeggen dat ze zich dankzij het bestuur niet hoeven bezighouden met de jaarrekening, de inspectie, personeelskwesties en de financiële gevolgen van ontslag, onderhoud of zwangerschapsverlof. Ze zeggen ook dat ze door hun bestuur geld besparen, omdat het groot kan inkopen. Veel besturen hebben adviseurs in dienst. Als je die zelf moet inhuren als school, zou je heel duur uit zijn. Directeur Wil Raeven van het Pieter Nieuwland College in Amsterdam zegt bijvoorbeeld dat hij zonder zijn grote bestuur, Amarantis, nooit een nieuw gymnasium had kunnen stichten.
Maar de critici roepen harder. Zij vertellen over directeuren die van hun bestuur ‘de hei op moeten’, voor dure cursussen teambuilding die niemand wil. Over schoolbestuurders die hun eigen regels maken voor de verdeling van het geld. Die zich met het onderwijs bemoeien en zich als managers gedragen. Die zich ineens ‘voorzitter van het college van bestuur’ noemen. Die loopbaanontwikkelingsprogramma’s de school „inpompen” waar directeuren niet om gevraagd hebben. Er zijn ook besturen die steeds meer ondersteunend personeel om zich heen verzamelen, zeggen ondervraagden. Ze hebben het over de enorme toename van vergadertijd en de berg formulieren. Over onnodige kwaliteitsmetingen, het opstellen van persoonlijke ontwikkelingsplannen. Dat hoefde vroeger niet.
Ook een teer punt: de kosten van zo’n bestuur.
Elke directeur betaalt weer een ander percentage van zijn budget aan bestuurskosten, staf en gemeenschappelijke diensten. De ene directeur zegt 2 procent te betalen, de ander 15. In het basisonderwijs loopt dit uiteen van 0,6 tot 10 procent, zo blijkt uit onderzoek uit 2006 van adviesbureau ITS van de Radboud Universiteit.
Verder zijn er verschillen in organisatie. Het ene bestuur heeft 4.000 leerlingen en een bestuursbureau met 18,6 fulltime banen, het andere bestuur ruim 11.000 leerlingen en 15 man staf. Het ene bestuur rekent extra voor de kosten van collectieve fondsen en activiteiten, bijvoorbeeld reserveringen voor oudedagsvoorzieningen en onderhoud. Een ander bestuur laat dat zijn scholen zelf reserveren.
Wie is de goedkoopste? Dat is niet te zeggen. Omdat je dan eerst moet weten wat de besturen allemaal centraal doen, en wat de scholen zelf aan stafafdelingen en overhead hebben. Doet het bestuur alle pr, koopt het alle computers, regelt het alle onderhoud? Of doen de scholen dat deels zelf?
Sommige besturen willen daarom wegens die verschillen in organisatie niet zeggen wat ze inhouden voor gemeenschappelijke diensten, bestuur en bestuursbureau. Zoals bestuurder Bert Molenkamp van Amarantis scholengroep en Cor Meijer van Esprit Scholengroep. Omdat dat leidt tot „onvergelijkbare antwoorden”.
Er zijn geen richtlijnen voor wat een bestuur maximaal mag doorbelasten. Ook ligt niet vast welke taken een bestuur heeft en welke niet, zo zegt een woordvoerder van het ministerie van Onderwijs. „Ook in het jaarverslag is dat niet precies terug te vinden”, zegt de Inspectie van het Onderwijs. „We kijken wel nauwkeuriger naar de besteding van het geld als we vermoeden dat de kwaliteit van het onderwijs in het geding is of dat het geld onrechtmatig besteed is. Maar dat doen we niet standaard.”
|
Deze situatie is in gang gezet met de invoering van de ‘lumpsum’ – in 1996 in het voortgezet en in 2006 in het basisonderwijs. Sindsdien kregen schoolbesturen geen aparte potjes meer voor allerlei taken, maar een ‘zak met geld’ die ze zelf mochten besteden. Dat moest de bureaucratie verkleinen en besturen meer zeggenschap geven. Maar de bureaucratie lijkt nu verschoven naar de besturen, zeggen veel ondervraagden.
Toch valt het erg mee, zegt overheadspecialist Mark Huijben van adviesbureau Berenschot. Hij vergeleek tussen 2001 en 2009 de overhead in 20 sectoren, waaronder het onderwijs.
De gemiddelde overhead is de laatste vier jaar wel iets gestegen in het voortgezet onderwijs (van 17,7 naar 19,6 procent van het budget), zo zegt Huijben, maar dat is nog weinig in vergelijking met bijvoorbeeld ministeries en gemeenten, waar het respectievelijk 44,4 procent en 35 procent ligt.
Volgens Huijben zijn het vooral emoties die het beeld bepalen. Het onderwijs wordt zeer kritisch gevolgd, excessen komen snel naar buiten. Toch zijn de verschillen tussen scholen wel groot, erkent Huijben. Het varieert van 12 tot 22 procent. Berenschot heeft een lijst van de besturen met de minste en de meeste overhead, maar die is niet openbaar.
Vakbond AOb vindt dat er een normering voor de afdracht moet komen, zegt voorzitter Walter Dresscher. „De macht van schoolbesturen is te groot geworden. Medezeggenschapsraden of raden van toezicht die de besturen moeten controleren, zijn lang niet altijd voldoende op hun taak toegerust. Ontevreden scholen kunnen niet uit hun bestuur stappen – daarvoor is eerst toestemming nodig van hun bestuur. In de nieuwe Wet goed bestuur, die wordt voorbereid over de verantwoording van schoolbesturen, is voor al dit dat soort zaken ook nog te weinig aandacht”, vindt Dresscher.
Schoolbestuurder Wik Jansen van de Stichting Christelijk Voorgezet Onderwijs Zuid Oost Utrecht, maakt zich zorgen over „de huidige cultuur van wantrouwen in het onderwijs”. Daarom wil hij uitleggen waarom hij jaarlijks op kosten van zijn scholen op studiereis gaat. Hij ging naar Amerika, naar Rome, zegt hij. Daar doet hij inspiratie op, hij maakte ook al studiereizen toen hij docent aardrijkskunde was. Hij kent ook bestuurders die nu in Australië zitten, en in China. Dat op zijn scholen vakken zijn wegbezuinigd, de klassen kleiner werden en een orthopedagoog verdween wegens geldgebrek, noemt Jansen „een beslissing op schoolniveau. Daar ga ik niet over. De scholen hebben zelf de autonomie om keuzes over het budget te maken.”
Bovenschools directeur Koen Oosterbaan van schoolbestuur Stichting Katholiek Onderwijs Flevoland en Veluwe wil ook uitleggen waarom zijn bestuur studiedagen organiseert, soms met externe specialisten, voor de directeuren in zijn stichting. „Doel daarvan is om de professionaliteit en de zelfstandigheid van onze directeuren te vergroten.”
Een kritisch mr-lid van een van zijn scholen zegt dat er binnenkort een betaalde bestuurder bij komt, en dat de bijbehorende staf met een personeelsadviseur, een hrm-adviseur en een controller wordt uitgebreid. „De laatste jaren heeft het bestuur het onderwijs steeds meer vermanaget”, vindt zij. Waarom groeit het bestuur?
Oosterbaan zegt dat dat is om het groeiende bestuur te „professionaliseren”. Dat vindt het kritische mr-lid „de pest voor het onderwijs”.
|
Vrijwilligers werden betaalde managers
|
