Rapporteur mensenhandel bekritiseert rechters
Den Haag, 29 okt. Rechters die oordelen in mensenhandelzaken, moeten zich specialiseren. Uit onderzoek naar 200 vonnissen van na 2007, blijkt dat rechters de feiten verschillend interpreteren.
Dat zegt Corinne Dettmeijer-Vermeulen, Nationaal Rapporteur Mensenhandel vandaag. Zij presenteert vanmiddag haar zevende rapportage. Dettmeijer leidt sinds drie jaar het Bureau Nationaal Rapporteur Mensenhandel dat de regering informeert en adviseert over mensenhandel. Ze wordt vandaag tevens benoemd tot Nationaal Rapporteur Kinderpornografie. Mensenhandel is in Nederland sinds enkele jaren een van de prioriteiten in de strijd tegen zware misdaad.
Lastig
Mensenhandel is bijna altijd heel lastig te zien, zegt Dettmeijer. „Het speelt zich af in het verborgene, je moet heel alert zijn op signalen. Politie en opsporingsambtenaren zijn daar steeds vaker in getraind. Maar ook als mensenhandel wordt gezien, blijft het lastig. Slachtoffers willen vaak niet getuigen omdat ze bang zijn voor hun handelaars of omdat ze illegaal zijn. Uit het jurisprudentieonderzoek blijkt dat het aantal vrijspraken in mensenhandelzaken hoog is.”
Of lees het artikel in de digitale
editie via het webabonnement.
Oriëntatiepunten
Als er wel wordt gestraft, lopen die straffen sterk uiteen. Dettmeijer: „Rechters hebben behoefte aan oriëntatiepunten, zoals bij verkrachting het oriëntatiepunt 24 maanden is. In de Sneepzaak werd voor het eerst een soort norm gesteld: 8 tot 10 maanden celstraf per slachtoffer, afhankelijk van de duur van de uitbuiting, de mate van geweld en de rol van de dader. De periode van negen maanden dat een vrouw gedwongen als prostitutee had moeten werken, werd beschouwd als ‘relatief kort’. Ik vind dat die rechter zich achter de oren moet krabben. Hij moet zich afvragen: hoe erg vinden we dit eigenlijk? In feite is zo’n vrouw 270 dagen lang elke dag verschillende keren verkracht. Dat is een vreselijke inbreuk op de lichamelijke integriteit.”
Zorgen
Dettmeijer maakt zich speciale zorgen over de opvang van minderjarige Nederlandse of in Nederland wonende slachtoffers, meestal van loverboys. Voor hen moet kleinschalige, veilige opvang komen gericht op deze specifieke groep. Zij moeten hulp krijgen van mensen die ervaring hebben met slachtoffers van loverboys en met de bescherming tegen de loverboy.
