Verbeet: Kamer te veel buitenspel bij crisisakkoord
Den Haag, 17 nov. Het crisisakkoord dat binnen de regeringscoalitie in maart is overeengekomen, is „heel raar” tot stand gekomen. „Zelfs de vakbeweging speelde een belangrijker rol dan een groot deel van de volksvertegenwoordiging.” Tweede Kamervoorzitter Gerdi Verbeet zegt dat in het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2009 dat vanmiddag wordt gepresenteerd.
De gevolgde procedure valt volgens haar niet aan burgers uit te leggen is slecht geweest voor het aanzien van de politiek. Bij de onderhandelingen over het crisispakket waren februari en maart alleen de premier, de twee vicepremiers, minister Donner (Sociale Zaken, CDA) en de fractievoorzitters van CDA, PvdA en ChristenUnie betrokken. Wekenlang stond de Tweede Kamer buitenspel. Verbeet is daar terugkijkend niet over te spreken. „Bij een grote economische crisis is het noodzakelijk om het zo breed mogelijk aan te pakken, waarmee ik bedoel dat de gehéle Tweede Kamer erbij betrokken moet worden, niet alleen de coalitiefracties.”
Ze vindt dat het kabinet eerst een richtinggevend voorstel had moeten indienen, waarover gedebatteerd had moeten worden. „Maar van dé Kamer, als instituut, was helemaal geen sprake: de coalitie en de oppositie stonden lijnrecht tegenover elkaar. Daar zat een cruciale fout: dat deel van de Kamer, de oppositie, geen enkele inbreng heeft kunnen hebben”. Verbeet is jaloers op de wijze waarop in de Verenigde Staten parlementariërs meteen hoorzittingen organiseerden en zelfstandig feiten verzamelden over de crisis. Inmiddels doet een commissie van Kamerleden wel parlementair onderzoek.
Ze zegt het ook raar te hebben gevonden dat slechts een paar ministers meededen met de onderhandelingen. „Wat denk je van Verhagen? Die zal wel tandenknarsend hebben zitten kijken.”
In het boek, dat als thema ‘In tijden van crisis’ heeft, betoogt Eerste Kamerlid Uri Rosenthal (VVD) dat de Tweede Kamer voor haar rol in crisissituaties „alles behalve de schoonheidsprijs” verdient. In de naoorlogse geschiedenis heeft het parlement volgens hem zijn controlefunctie bij grootschalige crisis niet of ontoereikend uitgeoefend. Bij een crisis moet het parlement in het begin niet voor de voeten lopen. Maar als later het kabinet zich moet verantwoorden voor haar daden, zou de Tweede Kamer haar controletaak serieuzer moeten nemen. Slechts zelden zijn na de oorlog parlementaire enquêtes gehouden die een crisissituatie onderzochten.
Dat gebeurde bijvoorbeeld wel na de Bijlmerramp (1992) en de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog in Srebrenica (1995). Rosenthal: „Maar dat gebeurde in beide gevallen nadat ze zich jarenlang stil had gehouden. Er was bovendien weinig systematiek te bekennen in het parlementaire gebruik van zware onderzoeksinstrumenten. Na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh kwam de optie van een parlementair onderzoek, laat staan van een enquête, amper op tafel.”
