Buigzame houding van advocatuur tijdens de Tweede Wereldoorlog
Den Haag, 6 sept. De advocatuur heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog juridisch hoofdzakelijk meegebogen. Tijdens de bezetting heeft de advocatuur „niet, dan bij hoge uitzondering” door principiële verweren in de rechtszaal afkeer getoond van de Duitse bezetter.
Dit blijkt uit de studie ‘Smalle marges’ van rechtshistoricus Joggli Meihuizen naar het gedrag van de Nederlandse advocatuurdat vandaag verschijnt. Oorzaak was dat de rechtsstaat na de Duitse inval ophield te bestaan, de bezetter de Joodse rechters ontsloeg en de rechterlijke macht dat accepteerde. De burger in moeilijkheden had van het rechtsbedrijf volgens Meihuizen „weinig of niets” te verwachten. Advocaten pasten zich daarbij aan. Het uitlokken van principiële beslissingen werd als zinloos gezien en tegen het belang van de cliënt. Volgens Meihuizen hebben „veel” advocaten verzet gepleegd, maar dan vooral buiten hun beroep. Ze hielpen joden met onderduiken, steunden verzetsstrijders en bedreven spionage. Ongeveer 40 van de destijds 1.900 advocaten verloren het leven als gevolg van hun verzet. Naast motieven als vaderland, koningshuis en soms geloof keerden advocaten zich tegen de bezetter uit „weerzin tegen de platvloersheid van de nazi’s”. De NSB werd beschouwd als „kleinburgerlijke schreeuwlelijken”.
Advocatuur was destijds een eliteberoep, hoofdzakelijk uitgeoefend door de adel en leden van het vermogende patriciaatdat er een eer in stelde ‘pro deo’ op te treden. Van commerciële activiteiten bestond een afkeer, evenals van uiterlijk vertoon. Pas na de Eerste Wereldoorlog was advocatuur ook een broodwinning geworden. Van de bezetter, die men zag als „onbeschaafde plebejers”, wenste men geen aanwijzingen op te volgen. Mede daarom kwam de nazistische Advocatenkamer niet van de grond.
Vlot
Volgens de onderzoeker heeft de advocatuur ook gecollaboreerd. Omdat de particuliere praktijk terugliep, richtte de advocatuur zich op het bedrijfsleven. Daar werden adviezen gegeven die collaboratie juridisch mogelijk maakten. Ook werd het beroepsverbod voor Joodse advocaten breed en zonder slag of stoot aanvaard. Maatschappen met joodse collega’s werden vlot ontbonden en hun cliënten overgenomen. Volgens Meihuizen rekenden „sommige advocaten” extra hoge tarieven als ze verzetsstrijders voor Duitse gerechten verdedigden. Of aan Joodse cliënten in ‘ariseringsprocedures’ – bedoeld om hun niet-joodse afstamming te bewijzen om aan deportatie te ontkomen.
