Kiezer kan straks nog steeds geen andere regering kiezen

Door René Moerland

De Tweede Kamer wordt in 2007 via een nieuw kiesstelsel met districtsvertegenwoordigers gekozen. Het doel is zo de kloof met de kiezer te verkleinen. Is dat een goede reden?

DEN HAAG, 28 FEBR. Het moet de grootste verandering worden in het kiesstelsel sinds 1917, toen het districtenstelsel werd afgeschaft. Bij de volgende verkiezingen voor de Tweede Kamer als het kabinet Balkenende II de rit tot 2007 uitzit komen er voor het eerste in negentig jaar weer wettelijk gekozen districtsvertegenwoordigers in het parlement.

Het kabinet wil, zo staat in een hoofdlijnennotitie van minister De Graaf (Bestuurlijke Vernieuwing, D66) waarover de Kamer binnenkort discussieert, een gemengd stelsel van evenredige vertegenwoordiging in combinatie met districtszetels. Dat betekent dat de kiezer vanaf 2007 twee stemmen moet krijgen. De ene, de landelijke stem, bepaalt dan net als nu de zetelverdeling in de Kamer tussen de partijen. De tweede stem brengt de kiezer uit op een regionale kandidaat. De Graaf wil het land daarvoor opdelen in ongeveer 20 districten met elk 2 tot 6 beschikbare zetels. Maximaal 75 regiokandidaten kunnen zo in de Kamer worden gekozen.

Maar waarom is dat eigenlijk nodig? Het huidige kiesstelsel fungeert immers best goed, hield bijvoorbeeld de Leidse politicoloog Joop van Holsteyn, leider van het nationaal kiezersonderzoek, de Kamer vorige week voor. De kiezer toont zich niet ontevreden, en voelt zich zelfs beter vertegenwoordigd dan in landen met een districtenstelsel.

De politieke verklaring voor de kabinetsplannen luidt: omdat D66 het wil. De hervorming van het kiesstelsel was immers een van de harde voorwaarden die D66 vorig voorjaar stelde om met CDA en VVD een regeringscoalitie te vormen. Toch is dat niet het hele verhaal. Want Den Haag discussieert al jaren over het kiesstelsel. In 1990 pleitte een commissie van bijna alle fractievoorzitters in de Kamer, onder leiding van CDA'er Deetman, al voor een discussie over invoering van verkiezingen via districten om de ,,knelpunten tussen kiezer en gekozene op te lossen''. In 1996 strandde een poging tot hervorming in het eerste paarse kabinet.

Behalve D66 hebben ook CDA en PvdA een hervorming in hun programma staan. En steeds is het motief: de afstand tussen kiezer en gekozene kleiner maken.

Het thema van de kloof tussen 'Den Haag' en 'het land' heeft sinds het Fortuyn-jaar 2002 bijna alle partijen in zijn greep. Er zal, zei minister De Graaf onlangs op een bijeenkomst over het kiesstelsel, ,,hoe dan ook wat moeten gebeuren aan de onvrede en het gebrek aan vertrouwen dat de afgelopen jaren manifest is geworden''. Daar hoort een nieuw kiesstelsel bij. Bovendien is vernieuwing op zich ,,zinnig om de democratie te onderhouden''.

Het kabinet wil met de hervorming van het kiesstelsel vooral de representatieve democratie versterken, zo blijkt uit De Graafs notitie. Het stelsel uit 1917 voldoet in dat opzicht niet meer, analyseert hij. Destijds werd de evenredige vertegenwoordiging ingevoerd omdat het beter dan het districtenstelsel aansloot bij de verzuilde maatschappelijke verhoudingen alle minderheden werden zo gerepresenteerd. De analyse van het kabinet is dat nu, in de mediademocratie, het vertrouwen in politici als personen voor de kiezer steeds belangrijker wordt. Maar het overgrote deel van de Kamerleden wordt ,,op de slippen'' van de lijsttrekker gekozen en is zelf onbekend. Dat is, zo vindt het kabinet, ,,een erg wankele basis [...] voor een sterk parlement''. Het doel van De Graafs tweestemmenstelsel is dat meer Kamerleden een eigen mandaat verwerven, waardoor de band tussen kiezers en gekozenen sterker wordt. Dat moet leiden tot een sterker parlement en revitalisering van politieke partijen.

Het voorstel heeft de afgelopen weken veel kritiek gekregen, onder meer vanwege het ingewikkelde karakter. Sommige deskundigen geloven dat het voorstel-De Graaf inderdaad tot een nauwere band tussen kiezer en gekozene leidt. Sommigen vrezen een groter aandeel van regionale belangen, andere vinden het een nadeel dat alleen grote partijen echt kans lijken te maken op regiozetels. Maar er zijn ook critici die wel het kiesstelsel willen hervormen, maar niet De Graafs analyse delen van de redenen waarom.

,,De diagnose is verkeerd'', meent politicoloog Rudy Andeweg, lid van een PvdA-werkgroep voor bestuurlijke vernieuwing. ,,Politici zijn bang voor de kloof'', maar ,,die is er gewoon niet'', zegt hij. ,,Het is een beeldspraak waarin iedereen zijn eigen onvrede kwijt kan.'' Politici proberen met dat beeld volgens Andeweg vooral de problemen op te lossen van politieke partijen. Want die zijn wel op afstand komen te staan van de burger.

Volgens de socioloog Gabriël van den Brink is de kloof er wel hij bracht die in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 2001 in kaart. Daarna bepleitte hij onder meer een discussie over het huidige kiesstelsel, dat hij ,,een belediging voor de moderne burger'' noemt. Hij meent dat een districtenstelsel à la De Graaf weinig verandert aan het ,,fundamentele probleem'', dat er een aparte politieke klasse is die in een andere belevingswereld verkeert dan de burgers. Ook als politici vaker het land ingaan, blijven zij afhankelijk van ambtenaren die dezelfde beleidstaal spreken als zij. Een ander kiesstelsel is daarom ,,een marginale verandering'', zolang de informatiestromen waarop besluiten worden gebaseerd niet veranderen, meent Van den Brink. Daarvoor moet niet alleen het kiesstelsel, maar ook burgers op een andere manier directe invloed geven.

Volgens Andeweg trekt De Graaf niet de voor de hand liggende conclusie uit de gevolgen van de ontzuiling. Als het evenredige systeem uit 1917 niet meer voldoet en Andeweg is het daar mee eens moet dat op de helling. ,,Politici worden nu beoordeeld op: wat hebben ze ervan gebakken?'' Volgens Andeweg past de behoefte tot afrekenen van politici op prestaties bij wat Ed van Thijn vroeger de 'penduledemocratie' noemde: meerderheden die elkaar afwisselen als het andere blok zijn kans heeft gehad. Daarom vindt Andeweg dat de evenredige vertegenwoordiging moet worden vervangen door een districtenstelsel dat leidt tot meer politieke blokvorming vergelijkbaar met hoe het in Nederland tot 1917 werkte en nu nog in bijvoorbeeld Frankrijk. In het voorstel van De Graaf blijft de vertegenwoordiging van minderheden in het parlement voorop staan, en verandert er niets aan de regeringsvorming.

In PvdA en VVD zijn inmiddels twijfels of de hervormingen van De Graaf wel ver genoeg gaan. VVD-fractieleider Van Aartsen sprak zich onlangs persoonlijk uit voor een districtenstelsel, PvdA-leider Bos is voorstander van een twee- of driepartijenstelsel. In beide partijen wordt nu gediscussieerd over een kiesstelsel dat een ,,eerste stap'' moet worden naar nadere hervorming.

Volgens Andeweg, die daaraan bij de PvdA meewerkt, moet de hervorming in deze kabinetsperiode ,,beperkt'' zijn, zolang onduidelijk is waar het heen moet. In plaats van een tweede stem per regio bepleit hij daarom nu alleen een grotere rol voor de voorkeursstem op de landelijke lijst .,,Als je te vaak gaat sleutelen aan de spelregels van het politiek bedrijf, krijgen mensen de indruk: als het ze uitkomt, veranderen ze wat.''

De VVD discussieert over een voorstel van staatsrechtdeskundige Tom Zwart, gesteund door Van Aartsen, om naast de landelijke stem een tweede stem te introduceren waarmee 150 districten elk één kandidaat kunnen krijgen. Als dat een succes blijkt, kan dat ,,een eerste stap'' zijn naar de invoering van een echt districtenstelsel, aldus Zwart. Het zijn ideeën waar ex-D66-leider De Graaf niets van moet hebben. Hij onderstreepte onlangs dat het niet zo is dat ,,leden van het kabinet eigenlijk radicalere vernieuwingen zouden willen''. Met het CDA verdedigt hij nu het evenredige stelsel dat zijn partij ooit wilde opblazen. ,,Het doet het beste recht aan de Nederlandse politieke cultuur, waarin minderheden altijd vertegenwoordigd zijn'', aldus De Graaf.

 

Gepubliceerd in:
Over de krant
Nieuw kiesstelsel