Een pril Vogelaarbosje bij de bestaande ‘buurtflat’

Oud-minister Ella Vogelaar.
Door onze redacteur Joke Mat

De BAM’er werd een werkmakelaar, en verder bleef in de Dordtse Wielwijk veel hetzelfde. Vogelaar bracht weinig nieuws, aldus betrokkenen bij wijkverbetering.

Dordrecht/Utrecht, 2 dec. Max Suart is werkmakelaar in een achterstandswijk. Hij probeert bewoners uit de uitkering te krijgen, maar ziet ze gedemotiveerd raken als ze folders moeten vouwen in een reïntegratietraject. Hij helpt jongeren met een strafblad aan een baan, maar ziet velen terugvallen, al is het maar doordat ze hun boetes niet betalen. Zijn startende ondernemers komen nauwelijks aan werkruimte, terwijl panden in het nieuwe winkelcentrum maanden leegstaan door de hoge huren. „Je moet wel tegen frustratie kunnen”, zegt Suart. „Soms denk je: Waarom lukt dit nou niet?”

Suart werkt in Wielwijk, Dordrecht, sinds twee jaar een Vogelaarwijk. . Hij komt van Curaçao, woont 25 jaar in Nederland en werkt zelf sinds zijn negende. Dan ging hij bijvoorbeeld boodschappen vervoeren met een zelfgemaakt karretje om een kwartje te verdienen voor de Shellbioscoop. In Wielwijk werkt hij samen met een ‘kansenmakelaar’ en ‘routecoaches’, voor Antilliaanse jongeren tot 23 jaar. De werkmakelaar van Wielwijk staat als goed voorbeeld vermeld in de laatste rapportage die ex-minister Vogelaar naar de Tweede Kamer stuurde, over de vorderingen in de veertig probleemwijken die het kabinet wil opknappen. De inzet was hoog, de wijkenaanpak is een ‘speerpunt’, maar Suart heeft van twee jaar Vogelaar nauwelijks iets gemerkt. Voor hem is de wijkaanpak vooral een zaak van de gemeente, zijn werkgever. En weinig eraan is nieuw. De werkmakelaar doet volgens hem hetzelfde als vroeger de BAM’er, Bedrijfsadviseur Minderheden. „In een achterstandswijk”, zegt Suart, „zul je altijd iets aan werkloosheidsbestrijding moeten doen.”

Vanaf vandaag bespreekt de Tweede Kamer de begroting voor 2009 van Wonen, Wijken en Integratie, waar PvdA’er Eberhard van der Laan vorige maand partijgenoot Ella Vogelaar opvolgde. Het speelveld is anders dan toen zij aantrad. De angst voor rellen, zoals in de Franse voorsteden, is verdampt, er dreigt recessie, de bouw is ingestort. „Ik denk dat het einde van de eenzijdige focus op de wijken in zicht is”, zegt Lex de Boer, directeur van de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting. „Er zal meer aandacht moeten komen voor de bouw- en woningmarkt.”

Een verdienste van Vogelaar is volgens De Boer dat „gemeenten en corporaties zich ervan bewust geworden zijn dat basale dingen ertoe doen”. Hij noemt de stad Den Haag, die het schoonhouden van wijken vooropstelt. Maar hij betwijfelt of die verandering blijvend is. „Het werk van de mensen die rondlopen in de wijk is politiek niet zo interessant. Uiteindelijk kun je er weinig mee scoren.” Daarom is het vervelend dat onder Vogelaar de relatie tussen Rijk en woningcorporaties verslechterd is. „Juist zij kunnen veel doen. Die moet je niet van je vervreemden.”

Vogelaars laatste rapportage somt op wat er zoal aan goeds gebeurt in de veertig wijken. De toon is positief, idealistisch. Het heeft ook iets willekeurigs. Er staat niet welke projecten nieuw zijn, en welke een voortzetting van bestaand beleid. Of waarom juist deze projecten verandering zullen brengen in juist deze veertig wijken.

De actieplannen die gemeenten en corporaties in opdracht van Vogelaar hebben gemaakt, missen die scherpte ook, stelde het kenniscentrum voor grootstedelijke vraagstukken NICIS al eerder. „Een schot hagel op de wijk”, noemt Yves Vermeulen van de Utrechtse corporatie Mitros het plan voor Overvecht. „Wij gaan in 2010 kijken of we echt de goede thema’s te pakken hebben.”

Vermeulen vindt wel dat de „drive” en het „commitment” van Vogelaar in de wijken tot extra inspanningen hebben geleid. En hij hoopt dat de nieuwe minister het beleid niet wijzigt. „Niets is dodelijker dan wéér een nieuwe aanpak. Een deel van de Vogelaarprojecten betreft dingen die eerder waren stopgezet. Straatcoaches, jongerenwerk, kinderwerk.”

Huub Coops (50) is buurtbeheerder in Overvecht. Hij is een voormalige grafisch vormgever met een late roeping voor sociaal werk. Stekeltjeshaar, oorringetje, ring om zijn duim. Hij werkt vanuit een ‘buurtflat’ van Mitros, een woning op de eerste verdieping van een hoge portiekflat. Met ‘Pechtoldgelden’ is de woning omgebouwd tot een kantoortje annex vergaderruimte voor buurtwerkers, en een ontmoetingsplek voor bewoners. In oktober heeft Vogelaar bij de flat een ‘Vogelaarbosje’ van vlinderstruiken geplant. Prachtig, vond Coops, zoals ze daar met haar laarzen in de modder stond en praatte met de kinderen.

De buurtflat staat in de laatste rapportage genoemd onder ‘integratie’. Het is „een goed voorbeeld” van multifunctionele accommodaties […] waar de verschillende bevolkingsgroepen elkaar kunnen ontmoeten […]”. Volgens Coops is er wekelijks een knutselavond met vrouwelijke deelnemers van verschillende komaf. „Mannen zie je hier niet.” In een Ken Elkaargroep komen alleen Marokkaanse vrouwen, bij een kookgroep blijven Marokkaanse vrouwen juist weg. Waarom weet hij niet. „Daar ga ik me niet in verdiepen. Daar hebben we opbouwwerkers voor.”

Die opbouwwerkers komen ook in de buurtflat. Volgens Ineke Smidt, voorzitter van de MOgroep welzijn en maatschappelijke dienstverlening, werken woningcorporaties en welzijnsorganisaties sinds een jaar of vijf steeds intensiever samen. „Daar is een grote slag gemaakt. In elke gemeente is wel een corporatie die de sociale taken waarneemt.”

Ook andere organisaties doen mee. Zo zijn er in het hele land ontmoetingsruimtes, leerwerkbedrijven, klus- en kunstprojecten waarin corporaties, onderwijsinstellingen, welzijnsorganisaties en/of bedrijven samenwerken. Een voorbeeld is een ‘kansenflat’ in Wielwijk, voor de startende ondernemers van Max Suart. Een corporatie stelt drie jaar twaalf appartementen beschikbaar in een sloopflat, tegen een lage huur.

Volgens Smidt had Vogelaar geen aandeel in het ontstaan van deze ‘buurtallianties’, al heeft ze financiële steun toegezegd. „Twee jaar Vogelaar heeft eerder remmend dan stimulerend gewerkt.” Ze wijt dat vooral aan de bureaucratie. Te vaak staat regelgeving goede initiatieven in de weg.

Zo is Aly van Beek, directeur van de MOgroep welzijn, enthousiast over een Nijmeegs project van een kinderopvangorganisatie en een ROC-opleiding, om sport te verzorgen tijdens de buitenschoolse opvang (bso). Ook kinderen die niet op de bso zitten, zouden ernaartoe moeten kunnen. „Dan denk ik: leuk, dan ga je ook de segregatie tegen”, zegt Van Beek. „Van de bso maken toch vooral witte ouders gebruik. Maar dat stuit dan weer op regels. Een kabinet dat zo sterk gericht is op dit type aanpak zou moeten uitstralen: doe het gewoon toch.”

Gepubliceerd in:
prachtwijk kruiskamp
Binnenland