Aymara’s hebben uniek tijdsbesef

Aymara's begroeten het eerste zonlicht op hun nieuwjaarsdag.
Door onze redacteur Dirk Vlasblom

Aymara-indianen in de Andes hebben een ander beeld van tijd dan andere volken. Zij stellen zich de toekomst voor achter hun rug en het verleden vóór zich. Dat blijkt duidelijk uit studie van de gebaren die hun spraak begeleiden.

Rotterdam, 22 juni. „Je hebt nog een heel leven vóór je.” „We hebben de verhuizing achter de rug.” Dit zijn Nederlandse voorbeelden, maar ze zijn niet uniek: in alle culturen wordt de tijd ruimtelijk voorgesteld en alle talen ontlenen woorden voor tijd aan hun vocabulaire voor ruimte. Daarbij wordt de toekomst gesitueerd vóór en het verleden achter de spreker.

Het Aymara, een indiaanse taal die wordt gesproken in de Andes van het westen van Bolivia, het zuidoosten van Peru en het noorden van Chili, is de enige bekende uitzondering. In het Aymara is nayra, wat zoveel betekent als oog, voorhoofd of zicht, ook het woord voor ‘verleden’. En qhipa – rug, achterkant – wordt ook gebruikt voor ‘toekomst’.

Al snel na de Spaanse verovering is het Aymara westerse waarnemers opgevallen. Jezuïeten schreven in de 17de eeuw dat de taal zich bijzonder goed leent voor het verwoorden van abstracte denkbeelden. De semioloog Umberto Eco prees het Aymara om zijn vermogen neologismen te produceren. Informatici hebben geprobeerd voor de zogenoemde ‘Andeslogica’ – die een derde optie toevoegt aan het binaire schema ‘ja/nee’ – computertoepassingen te bedenken.

Om na te gaan of de Aymara-indianen werkelijk een uniek tijdsbeeld hebben, onderzochten cognitief wetenschapper Rafael Nunez (universiteit van Californië, San Diego) en taalkundige Eve Sweetser (universiteit van Californië, Berkeley) de manier waarop Aymara tijd uitdrukken. In het juninummer van het tijdschrift Cognitive Science bespreken zij Aymara-woorden voor tijd en de gebaren die Aymara maken bij uitspraken over tijd.

Tot voor kort werd aangenomen dat alle volken, ongeacht hun taal en cultuur, zich het verleden voorstellen achter en de toekomst vóór zich. Dit zou samenhangen met de menselijke fysiologie (ogen vóór in het hoofd) en manier van bewegen (voorwaarts, niet zijwaarts). Cognitieve wetenschappers stelden vast dat in veel talen voor het verstrijken van tijd een bewegingsbeeld wordt gebruikt.

Nader onderzoek leidde tot een onderscheid in twee modellen: ‘bewegende tijd’ en ‘bewegend ego’ (waarbij ego voor de waarnemer staat). In de ene variant beweegt de tijd over een landschap waarin de waarnemer op dezelfde plaats blijft. In de andere zijn tijdstippen vaste punten ten opzichte waarvan de waarnemer zich voortbeweegt.

In dynamische metaforen beweegt de tijd niet altijd ten opzichte van ego. In ‘december volgt op november’ is niet ego het referentiepunt, maar november. Daarom maken Sweetser en Nunez een onderscheid tussen metaforen met ego als referentiepunt en metaforen met tijd als referentiepunt. Metaforen met ego als referentiepunt kunnen worden onderscheiden in een bewegend ego (‘we naderen de dag dat*’) en een statisch ego (‘de tijd vliegt voorbij’).

In al deze varianten van tijdkartering ligt de toekomst vóór ego en het verleden achter hem. En in alle gedocumenteerde talen worden ze gebruikt, behalve in het Aymara. De woorden nayra en qhipa wijzen op een omgekeerde kaart. Maar taal alleen bewijst niet dat de Aymara uniek zijn, zeggen Sweetser en Nunez. Vertellers in het Aymara gebruiken nayra en qhipa ook in de betekenis van ‘eerst’ en ‘later’. Dan geven ze een volgorde van gebeurtenissen aan zonder een bepaalde verhouding tot het heden of de spreker.

Nayra betekent dus ‘vóór’ (met ego als referentiepunt) én ‘eerder dan’ (tijd als referentiepunt). Er wordt niet uitgedrukt vóór wie of eerder dan wat. Om daarover uitsluitsel te krijgen, bieden gebaren uitkomst.

Spraak begeleidende gebaren zijn een universeel verschijnsel. Voor de cognitieve wetenschap zijn ze interessant, omdat ze een minder bewust traject afleggen dan taal. Sprekers beseffen niet dat zij gebaren maken. Gebaren en taal worden synchroon geproduceerd. Gebaren worden ook gemaakt als er geen sprake is van een zichtbare luisteraar, bijvoorbeeld door mensen die spreken via de telefoon of door blinden. Metaforisch taalgebruik gaat gepaard met beeldende gebaren. Zo begeleidt een opwaarts bewegende hand een verhaal over stijgende prijzen.

Nunez interviewde 30 Aymarasprekers uit de Andes van Noord-Chili . Hij registreerde die gesprekken met de videocamera om woorden en gebaren synchroon vast te leggen. Als Aymara tijd beschrijven, blijkt wat zich vlak vóór hun voeten bevindt het heden te zijn. Als zij het hebben over de toekomst, wijzen zij met hun duim over hun schouder. ‘Dit jaar’ wordt aangeduid met wijzen naar beneden en ‘verleden jaar’ met wijzen naar een punt wat verder vóór de spreker. Naarmate het verleden verder weg is, gaat de wijzende hand omhoog, als een bal die een hogere boog moet beschrijven om verder te komen. Als sprekers het over verstreken tijd hebben, maakt de hand een beweging naar voren, over de volle lengte van de arm als het gaat over de tijdsspanne die hen scheidt van een ver verleden. De gebaren bevestigen dus de taaluitingen.

Sweetser en Nunez verklaren de afwijkende tijd-ruimtekaart van de Aymara uit de nadruk die zij leggen op visuele waarneming als bron van kennis. Veel culturen associëren ‘kennis’ met ‘zicht’, maar de Aymara doen dit in extreme mate. Een Aymara die zegt: „Gisteren kookte mijn moeder aardappels” gebruikt verschillende werkwoordsvormen wanneer hij dat zelf heeft gezien en wanneer hij dat niet heeft gezien. Aymara maken voortdurend onderscheid tussen wat binnen en wat buiten hun gezichtskring ligt. In hun tijdsbeeld loopt een scherpe scheidslijn tussen de ongeziene toekomst en het zichtbare heden en verleden. Daarom situeren Aymara verleden en toekomst respectievelijk in de zichtbare ruimte vóór en in de onzichtbare ruimte achter hen.

Gepubliceerd in:
Buitenland
Meer buitenlands nieuws