Ja, de mens verandert het klimaat

De sneeuw en het ijs van de Kilimanjaro, de hoogste berg van Afrika, dreigen de komende twintig jaar te verdwijnen door de opwarming van de aarde. Volgens onderzoekers is sinds 1912 ongeveer 80 procent van de ijslaag verdwenen. Afrika werd de afgelopen eeuw gemiddeld 0,7 graden warmer. De moerassen aan de voet van de berg dreigen nu te verdrogen, doordat er te weinig smeltwater van de berg afkomt.
Door onze redacteur Karel Knip

Het klimaat verandert, maar komt dat ook door de mens? Te bewijzen is dat nooit, menen de meeste wetenschappers, maar ‘zeer waarschijnlijk’ is het wel. Deel twee van een serie.

Rotterdam, 30 jan. De klimaten op aarde veranderen, het wordt in veel gebieden warmer. Rond de Noordpool wordt het zelfs veel warmer. Op sommige plaatsen gaat dat gepaard met toenemende droogte, op andere juist met steeds meer neerslag. Ondertussen stijgt de zeespiegel: gestaag, maar nog niet verontrustend snel.

Maar waar komt dat door? Staat het wel vast dat dit de schuld is van de mens? Dit is één van de belangrijkste vragen waarop de VN-organisatie voor klimaatverandering IPCC antwoord zoekt. In 1990, toen het eerste klimaatrapport verscheen, was men er nog niet uit. In 1995 heette het dat de aanwijzingen toch wel suggereerden dat er een invloed was. In 2001: dat een menselijke rol in de opwarming van de laatste vijftig jaar ‘waarschijnlijk’ was en in de vierde rapportage, die vrijdag verschijnt, zou dat zijn veranderd in: ‘zeer waarschijnlijk’. De kans zou groter dan 90 procent zijn.

Als die laatste formulering deze week op de IPCC-vergadering in Parijs ook door de beleidsmakers wordt overgenomen, kan een heel nieuwe situatie ontstaan. Het doel van het internationale klimaatverdrag dat in 1992 in Rio de Janeiro werd ondertekend, is uitdrukkelijk een gevaarlijke menselijke verstoring van de klimaatsystemen te voorkomen. Wat ‘gevaarlijk’ is wordt in het verdrag redelijk omschreven. Maar wannéér bewezen zou zijn dat een verstoring van het klimaat inderdaad door de mens is veroorzaakt, moest in 1992 nog in het midden worden gelaten. Misschien dat binnenkort de knoop wordt doorgehakt.

Dat het vooral de mens is die verantwoordelijk is voor de opvallende opwarming na 1970 is zeker niet makkelijk te bewijzen. Maar aannemelijk is het wel.

Inmiddels staat buiten kijf dat het stijgen van het CO2-gehalte van de atmosfeer wordt veroorzaakt door de massale inzet van kolen, olie en gas en door grootschalige ontbossing. De CO2-concentratie wordt sinds 1958 zeer precies gemeten en de snelheid waarmee zij stijgt komt goed overeen met berekeningen die daarvan worden gemaakt.

Die berekeningen hebben brandstofinzet en ontbossing als ‘input’ en houden rekening met veel CO2-opname door de oceanen. Zelfs de historische ontwikkeling van de CO2-concentratie, die is af te leiden uit analyse van ijsmonsters uit Groenland en Antarctica, stemt prachtig overeen met het vermoedelijke brandstofverbruik in de negentiende eeuw. Dat verbruik is nauwgezet gereconstrueerd. Kortom: het stijgen van de CO2-concentratie wórdt door de mens veroorzaakt.

Hetzelfde geldt, met enige aanpassing, ook voor de andere broeikasgassen methaan en lachgas. Stuk voor stuk zijn het gassen waarvan het fysisch effect op de warmtehuishouding van de atmosfeer uitputtend onderzocht is.

Maar kunnen die oplopende concentraties ook de waargenomen klimaatverandering verklaren? Nog steeds zijn er velen die niet kunnen geloven dat de nietige mens in staat zou zijn de klimaatsystemen van de reusachtige aarde te beïnvloeden. Maar die zijn vergeten hoe de nietige mens al in 1962 met één welgemikte kernproef de buitenaardse Van Allengordels aantastte en hoe diezelfde mens in de jaren tachtig met zijn cfk’s een gat in de ozonlaag boven de zuidpool blies. De klimaatsystemen zijn niet onaantastbaar.

De waargenomen stijging van het CO2-gehalte is bovendien als zodanig ruimschoots voldoende om de waargenomen gemiddelde opwarming te verklaren. Dat is in het simpelste klimaatmodelletje aannemelijk te maken. Maar daarmee is de kous niet af. Er moet bewezen worden dat de opwarming ook werkelijk door dat CO2, methaan en lachgas komt en niet van een of andere natuurlijke klimaatschommeling.

De grote moeilijkheid in dit spel van ‘detection and attribution’ (waarnemen en toeschrijven), zoals het in IPCC-jargon heet, is dat klimaten altijd variëren. Ze hebben een inwendige instabiliteit, zoals het El Niño-verschijnsel, en ze kunnen nog lang naschommelen van een verstoring die wordt teweeggebracht door een vulkaanuitbarsting of een tijdelijk verhoogde zonneactiviteit. De invloed van een vorige ijstijd is nog duizenden jaren merkbaar. Daarmee staan de klimaatonderzoekers voor de moeilijke taak te bewijzen dat het onwaarschijnlijk is dat de huidige klimaatverandering een natuurlijke oorzaak heeft.

Het enige middel dat hun daarbij ter beschikking staat is het klimaatmodel: het simuleren van het klimaat in een computermodel. Zij ontwerpen reusachtige rekenmodellen die de opdracht krijgen het klimaat zoals zich dat de afgelopen decennia of eeuwen aan ons heeft voorgedaan te reconstrueren. De modellen worden opgesteld uit ‘first principles’, ze berekenen temperaturen uit wat er fysisch bekend is van stralingsabsorptie, diffusie, convectie, de uitwisseling van energie en water, enzovoort. De modellen kunnen worden geladen met informatie over vulkaanuitbarstingen, voorbije El Niño’s en wisselende zonneactiviteit terwijl tegelijk de concentraties CO2, methaan en lachgas kunstmatig constant worden gehouden alsof er niets gebeurd is. Dat geeft de onderzoekers een goede kijk op de natuurlijke mogelijkheden tot variatie van het klimaat. Deze exercitie heeft geleerd dat de huidige verandering inderdaad uniek is.

Worden de modellen nu voorzien van reële gegevens over uitstoot van CO2, methaan en lachgas en over ontbossing en laten zij daarna temperatuurstijgingen zien op precies die plaatsen en hoogtes waar ze ook zijn waargenomen, dan mag de menselijke rol als bewezen worden verklaard. Het IPCC schijnt niet ver van die laatste conclusie te zijn.

Smeltende gletsjers

Rotterdam, 30 jan. Het smelten van gletsjers is een van de belangrijkste indicatoren voor klimaatverandering. Volgens de WGMS, de organisatie die sinds 1986 wereldwijd metingen aan gletsjers coördineert, gebeurt dit steeds sneller. In 2005 zou de ijslaag van dertig gletsjers die volgens de WGMS de trend redelijk weergeven zo’n 60 tot 70 centimeter dunner zijn geworden.

De gletsjers smelten echter al veel langer en uit de grafieken van de WGMS is niet onmiddellijk af te leiden dat dit proces ineens veel sneller gaat. Enkele jaren geleden zei Wilfried Haeberli, directeur van de WGMS, in deze krant dat de wereld zich, qua temperatuur „in een grensgebied” bevindt. „Alle metingen bewijzen dat het krimpen van de gletsjers een snel groeiend en wereldwijd probleem is. Daardoor zijn ze een belangrijke indicator voor de voortdurende klimaatverandering op aarde”, zei Haeberli destijds. „Als we zo doorgaan, ontstaat een klimaat dat we niet kennen en waarvan we de consequenties niet meer kunnen berekenen.”

Gepubliceerd in:
Buitenland
Meer buitenlands nieuws