Gehavend Tschinvali probeert leed weg te lachen

Tijdens een herdenkingsmaal in de joodse wijk van de hoofdstad Tschinvali in Zuid-Ossetië wordt gedronken op de doden van vroeger en nu.
Door onze correspondent Michel Krielaars

De stad Tschinvali was het eerste doelwit van het Georgische leger in Zuid-Ossetië. De inwoners zijn blij dat de Russen blijven. „Waarom heeft president Saakasjvili dit gedaan?”

Tschinvali, 8 sept. „Op de achterbank is mijn vrouw gestorven”, zegt de 53-jarige Pjotr Petojev in het met plastic overkapte voortuintje van zijn huis. Hij trekt een dekzeil weg en onthult een witte Lada, die is doorzeefd met kogels.

„Toen de Georgiërs Tschinvali begonnen te bombarderen, probeerden we met de auto de stad uit te vluchten. Maar we waren nog geen drie kilometer op weg of we werden door Georgische soldaten beschoten. Mijn zoon reed, ik zat naast hem. De kogels raakten alleen mijn vrouw.”

Petojev slaat met zijn hand op het wrak en wijst naar de kapot geschoten banden. „Veel gezinnen probeerden vanaf 8 augustus per auto te ontsnappen”, vervolgt hij. „Er moeten op die weg veel mensen zijn omgekomen.”

Het huis van Petojev staat in de joodse wijk, die ook in de oorlog van 1991-’92 door Georgische granaten is getroffen. De stenen geraamtes van toen zijn inmiddels begroeid met planten. De vele nieuwe ruïnes ruiken naar oorlog. Ze zijn zwartgeblakerd en door kogelinslagen gepokt na drie dagen van onafgebroken bombardementen door het Georgische leger.

Een maand na het begin van de Georgische aanval, in de nacht van 7 op 8 augustus, drinkt Volodja Kozoenov voor het zwaargehavende gebouw van het voormalig joods cultureel centrum een plastic bekertje wijn met wat jonge vrienden. Ze lachen hun leed weg. „Toen de bombardementen begonnen, sliepen de meeste mensen”, zegt Kozoenov. „Zo’n tweehonderd zochten hun toevlucht in de kelder van dit gebouw.

Toen ze de volgende ochtend vliegtuigen hoorden, renden ze naar buiten, ze dachten dat het de Russen waren. Maar het waren Georgische toestellen, die hen meteen onder vuur namen. Er zijn twee mensen omgekomen. Kijk maar, daar zijn de resten van een Georgische raket.”

Twintig meter verderop zitten in een steeg zo’n tachtig buurtbewoners aan een lange tafel. De oudere mannen dragen hoedjes van kranten tegen de zon. De vrouwen zitten apart en maken plezier. Ze zijn bijeen voor een herdenkingsmaal voor de 25-jarige Tamaz Zvali, die een jaar geleden bij een ongeluk om het leven is gekomen. Zijn vader Inal organiseert de maaltijd - zonder zijn vrouw en dochter. „Die zijn tijdens de Georgische beschietingen gewond geraakt en liggen in een ziekenhuis in Moskou”, zegt hij.

De 37-jarige Gavriël Kisijev drinkt mee op de doden en op Rusland. Hij vervloekt de Georgische president Saakasjvili. „Ik begrijp niet waarom hij dit heeft gedaan.”

„We hebben in deze stad altijd vreedzaam met de Georgiërs samengeleefd”, gaat Kisijev verder.Hij staat op van tafel en laat zijn huis zien, waar niets meer van over is. Een verkoolde Lada staat in de voormalige garage naast de tent waarin hij tegenwoordig woont. „Die hebben we van Poetin gekregen”, zegt hij.

Vervolgens voert hij ons door zijn buurt en vertelt over de verschrikkingen die hij heeft gezien. Zoals de Georgische tank, die in de Gaglojevstraat een moeder met haar twee zoontjes overreed. „De Georgiërs gooiden in ieder huis handgranaten naar binnen. En overal waren sluipschutters actief. Tijd om de lijken naar de begraafplaatsen te brengen was er niet. We hebben ze in onze tuinen begraven, waar ze worden door de honden worden aangevreten.”

  • Een hoge delegatie van de EU probeert vandaag in Moskou het zes-puntenplan voor vrede in Georgië te redden.
  • De delegatie bestaat uit de Franse president Sarkozy, voorzitter Barroso van de Europese Commissie en buitenlandcoördinator Solana.
  • Ze eisen dat het Russische leger zich terugtrekt naar eerder afgesproken posities. Het drietal zou later op de dag nog doorreizen naar Georgië.

Maar niet alleen de joodse wijk van Tschinvali is zwaar getroffen. De hele stad heeft er genadeloos van langs gekregen. Het parlementsgebouw is uitgebrand. Geblakerde flatgebouwen hebben gapende wonden in hun gevels, hun balkons hangen los. De ramen van het halfverwoeste Alanahotel hebben geen glas meer. Standbeelden van beroemde Osseetse schrijvers missen hun hoofd. De boomstammen in de Leninstraat zijn rood van de kogelinslagen.

Ondanks alle vernietiging wordt het gewone leven in de stad na een maand langzaamaan hervat, ook al is er een avondklok en wemelt het er van ruige soldaten en ratelende tanks. Een grote eenheid van de Russische rampenbestrijdingsdienst is bezig het puin te ruimen en de huizen zo goed als mogelijk te herstellen. Op straathoeken worden voedsel en kleding uitgedeeld. In het voetbalstadion wordt een wedstrijd gespeeld.

Sinds twee weken is ook het Rode Kruis tot de stad en de omliggende dorpen toegelaten. „De noodhulp is inmiddels voldoende op gang gebracht”, zegt woordvoerster Anastasia Isjoek in het Rode-Kruishoofdkwartier in de Joeri Loezjkovstraat. „We delen nu vooral tenten en dekens uit en halen in de dorpen Georgiërs en Osseten op die herenigd willen worden met hun families in Tschinvali of Tbilisi. ”

Op de kleine begraafplaats aan het eind van de Leninstraat liggen zo’n tweehonderd slachtoffers van de oorlog van 1991-’92. Vrijwel allemaal jongens van even in de twintig: arbeiders, soldaten, matrozen en een verdwaalde gewichtheffer. Aan de rand van het knekelveld zijn drie nieuwe graven versierd met vrolijke bloemen en flessen water.

Hoeveel slachtoffers er in totaal in Tschinvali zijn gevallen, is een maand na het begin van de oorlog nog altijd onduidelijk. De getallen variëren van 133 tot 1.700. De 7.000 inwoners van de stad gaan uit van het hoogste aantal, omdat ze zelf middenin de strijd hebben gezeten en alleen nog maar in nachtmerries denken.

In de zijstraten van de Leninstraat zitten mannen en vrouwen gelaten voor hun vernielde bezit. „Ze kwamen in de nacht”, zegt een oude man over de duivels die zijn stad en zijn mooie huis met drie kamers hebben verwoest. „Georgische tanks reden door de straten en schoten er op los. Aan de overkant is een jongen van 24 jaar oud omgekomen.” Hij opent het ijzeren hek van het sterfhuis en laat de uitgebrande vertrekken zien die naar de hemel staren.

„Hoe heeft dat monster van een Saakajsvili dit kunnen doen?” vraagt een bejaarde buurvrouw, die met haar man tegenover het huis zit in de schaduw van onder een gouden regen. Haar man weet het antwoord: „Hij wilde onze stad van de Ossetiërs zuiveren, zodat hier alleen Georgiërs konden wonen.”

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Buitenland
Voorpagina
Georgië