Palestijnse boeren drogen langzaam uit
Het regent al enkele jaren te weinig en de Palestijnse dorpen in de Jordaanvallei zijn uitgedroogd. Conform de Oslo-akkoorden neemt Israël het meeste water af.
Jiftlik, 19 sept. De Jordaanvallei ziet er dor en doods uit. De laatste regen viel in maart, en voor het derde jaar op rij heeft het veel te weinig geregend. Van de rivier de Jordaan is niet meer over dan een miezerig en vervuild stroompje. Het laaggelegen gebied aan de westelijke zijde van de Jordaan, in 1967 door Israël bezet, ligt droog. Alleen de bomen van zwaar geïrrigeerde Israëlische dadelplantages zijn groen.
Jiftlik, in het noorden van de vallei, is een van de laatste Palestijnse dorpen in de Jordaanvallei. De vallei, die circa eenderde van de Westelijke Jordaanoever bestrijkt, valt onder Israëlisch militair bestuur. Bouwen is alleen toegestaan voor de joodse kolonisten die er nederzettingen gesticht hebben. De Palestijnse bewoners trekken langzaam maar zeker weg. Meestal gaan ze naar Jericho, de enige Palestijnse stad in de vallei.
Schapenboer Hayib Mahmoud is gebleven. Met zijn elf kinderen woont hij op de top van een heuvel, naast Jiftlik. Het terrein van de familie Mahmoud is een ruïne van platgebulldozerde huizen. Vanaf zijn heuvel zijn militaire wachtposten te zien. „Soldaten komen ’s nachts om de huizen en schuren te slopen die ik heb gebouwd. Dat is al acht keer gebeurd.”
Maar erger dan de nachtelijke invasies is het groeiende watertekort, zegt Hayib. Hij wijst naar het dal. Het riviertje waar zijn schapen dronken, staat droog. Dan loopt hij naar de waterput. Hij schuift hout en stenen opzij en toont een gat van tientallen meters. Hayib pakt een steen en gooit die de diepte in: klonk. Ook geen druppel meer. „Ik moet nu water kopen van de Israëlische watermaatschappij. Voor 150 shekel (ongeveer dertig euro) kan ik het een kleine week uithouden met mijn familie en schapen. Dat betekent dat al mijn geld nu opgaat aan water.” Op alle mogelijke manieren bezuinigt Hayib Mahmoud, een zestiger in overall en met een rode kafia over zijn hoofd, op water. De wc is een gat in de grond. Zijn ezels heeft hij verkocht. De paar bomen en struiken op de verder kale heuvel krijgen waswater.
De inwoners van Jiftlik, merendeels veeboeren, moeten hun water vaak op deze manier kopen. Het water dat onder hun voeten, honderden meters diep, naar de Jordaan stroomt, mogen ze niet aanboren. De installaties rondom het dorp, soms met Amerikaans geld betaald, zijn gesloopt. „We worden weggepest”, zegt de lokale activist Fathi Khadarat, terwijl hij langs de vernielde installaties rijdt. „Wie het water controleert, controleert hier het leven. Met het excuus dat er in militair gebied niet gebouwd mag worden, worden alle initiatieven vernield. Alleen waterputten die hier al voor 1967 stonden, mogen blijven staan. Voor de meeste mensen is water onbetaalbaar geworden.”
Shaddad al-Attili is hoofd van de Palestijnse Water Autoriteit in Ramallah. Hij stelt zich voor als „hoofd Mickey Mouse-zaken”. „Ik ga over niets! Water, zegt u? Welk water? Een mooi bureau en visitekaartjes, dat is alles wat ik heb.” Het water is schaars in Israël en de Westelijke Jordaanoever. Maar doordat Israël het meeste Palestijnse water afneemt, is de verhouding volkomen scheef, zegt Attili. „Wij hebben volstrekt onvoldoende toegang tot water. En zonder water geen Palestijnse staat.”
Met de militaire bezetting van de Jordaanvallei – formeel bedoeld als strategische buffer tussen Israël en Jordanië – heeft Israël toegang tot belangrijke waterbronnen. Attili zet de toppen van zijn vingers tegen elkaar. „Zo moet je het land hier zien. Links is het laagland bij de Middellandse Zee. Dat is Israël. Rechts stroomt de Jordaan, dat is ook laag. Alle regen die er tussenin valt, hier in Ramallah bijvoorbeeld, stroomt onder de grond de lage gebieden toe. Het schaarse water dat er is, wordt zo door Israël in beslag genomen.”
Volgens een rapport dat de Wereldbank in april van dit jaar publiceerde, krijgen de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever 20 procent van het water dat uit de grond gepompt wordt – 80 procent is voor Israël. Omdat Israëlische waterinstallaties het water steeds dieper uit de grond halen, drogen de Palestijnse bronnen op. In 1967 hadden de Palestijnen de beschikking over 774 waterinstallaties, in 2006 waren dat er nog maar 328. Een Palestijn verbruikt een kwart van de hoeveelheid water die een Israëliër verbruikt. Het zijn juist de armste Palestijnen die Israëlische watertanks moeten kopen, wat ze vaak eenzesde van hun totale budget kost.
Begin jaren negentig spraken Israël en de PLO in de Oslo-akkoorden af dat de Palestijnen voorlopig geen nieuwe waterbronnen zouden aanboren, in afwachting van een definitief vredesakkoord. Israël mocht bijna 450 miljoen kubieke meter water per jaar oppompen, de Palestijnen 64 miljoen. Shaddad Attili: „Dit akkoord maakt het ons tot de dag van vandaag moeilijk. Omdat er nooit een vredesakkoord is gekomen, zitten we met deze scheve verdeling.”
Er is zelfs een heus polderorgaan in het leven geroepen: de Israëlische en de Palestijnse Water Autoriteit moeten samen beslissen over waterkwesties. Maar in de praktijk, zegt Attili, komt deze Watercommissie vrijwel nooit meer samen. Voorstellen van Palestijnen om nieuwe bronnen aan te boren, worden bijna altijd meteen verworpen. Soms om militaire redenen, soms om archeologische redenen, soms zonder reden.
De Israëlische Water Autoriteit ontkent dat de verdeling van het water oneerlijk is. Dit voorjaar gaf de autoriteit een rapport uit waarin staat dat Israël de Palestijnen juist méér water gunt dan noodzakelijk volgens de Oslo-akkoorden. Een medewerker van Uri Shani, het hoofd van de Israëlische Water Autoriteit, noemde de verhalen over watertekorten in de krant Ha’aretz „leugens”. Als er al watertekorten zijn, dan zijn die te wijten aan klimaatverandering en aan slecht Palestijns leiderschap, stelt de Water Autoriteit.
Rondom de boerderij van Hayib Mahmoud zijn de laatste decennia joodse nederzettingen gebouwd, met steun van de Israëlische regering. Je kunt de nederzetting Hamra vanaf zijn huis zien liggen. „De mensen in de nederzettingen hebben allemaal waterleidingen in huis. Mijn kinderen werken er soms, als ze arbeidskrachten nodig hebben. De Israëliërs wachten geduldig, totdat we uitgedroogd zijn en weggaan.”
