Redder wordt bezetter in Port-au-Prince
Bij de Pétion-ville Club in Haïti deelt het leger voedsel uit. ‘Een donatie van de Amerikaanse bevolking’ staat er op de pakketten.
Port-au-Prince, 20 jan. Plastic waterverpakkingen dwarrelen de heuvel af in de wind van een opstijgende helikopter. Op het gemaaide gazon bij het zwembad vliegen de militaire helikopters af en aan, sinds zaterdag tientallen per dag. Zodra er een aan de grond staat, rennen soldaten erop af om een rij te vormen en het toestel binnen enkele minuten uit te laden. Dan is het bukken als de helikopter weer opstijgt, even later is de volgende geland.
Dit is de statige Pétion-ville Club in Port-au-Prince. Op een normale dag golft, squasht en tennist hier de Haïtiaanse elite. Nu is het een van de vier forward operating bases van de Amerikaanse strijdkrachten die Haïti bijstaan sinds de aardbeving van acht dagen geleden. Aan de voet van de heuvel is een van de grotere daklozenkampen van de stad.
Direct na het lossen dragen soldaten, weer in looppas, de dozen water en voedsel verder de heuvel af, naar een groot veld. Daar bewaken een stuk of vijftien Haïtiaanse vrijwilligers en een peloton Amerikanen de orde. In een halve cirkel rond het veld staat een geïmproviseerde afscheiding van witgelakte zwembadstoeltjes, aan elkaar geregen met een touw.
Dit is de barrière tussen de rantsoenen en honderden Haïtianen, van wie velen al uren wachten tot zij naar voren mogen lopen om twee flessen van driekwart liter en een pakketje met rijst, mais en linzen op te halen. „Een donatie van de Amerikaanse bevolking”, staat op de roze doosjes, die per stuk tien maaltijden bevatten.
Het gebeurt met militaire efficiëntie, maar zonder zichtbare wapens of scherfvesten. Want Haïti, met zijn lange geschiedenis van invasies en bezettingen, heeft dubbele gevoelens bij buitenlanders in camouflagepakken.
„Ik heb liever dat de Verenigde Naties dit doen”, zegt Jean-Yvon Altidor, een 27-jarige vrijwilliger. „De Amerikanen verstaan hun werk ook, maar je hebt toch het gevoel dat je bezet wordt.”
Maar de regering is lamgeslagen, de VN-macht overbelast en in sommige wijken dreigt anarchie. Iemand moet het gezag herstellen. Altidor duwt mensen die water hebben gekregen in een richting zodat ze het veld zo snel mogelijk verlaten.
Geen relletjes bij de Pétion-ville Club, zoals op sommige andere voedselpunten in de stad. Lachend rennen kinderen de heuvel op als een militair hun de beurt toewijst.
Vanuit de naastgelegen citrusboomgaard zinnen jongetjes op een manier om sneller bij het eten te komen, alsof ze verstoppertje spelen op het schoolplein.
Over de afstemming tussen de VN-vredesmissie en de Amerikanen zegt Altidor: ,,De VN beginnen om half tien ’s ochtends hulpgoederen uit te delen, de Amerikanen om zeven uur. De mensen grijpen zo hun kans om naar zoveel mogelijk distributiepunten te gaan. Ze sturen al hun kinderen erop uit en gaan daarna zelf.” De komende dagen zullen er nog veel meer mensen naar de club komen, verwacht Altidor.
,,De Amerikanen doen het beter”, vindt Edouard Fanel (28), die ook voor de aardbeving al leefde op voedsel dat hij bij elkaar scharrelde bij buren en familie. ,,Bij de VN-missie moet je altijd maar afwachten of die iets voor je doen. Ik ben de oudste zoon thuis, ik voel me verantwoordelijk voor mijn moeder. Voor de aardbeving deed ik weinig, ik stond op en ging naar bed. Nu wil ik mijn leven veranderen en werk zoeken.”
Af en toe is er gedrang, en deinen de stoeltjes op en neer aan het koord, bijvoorbeeld als het water opraakt. Een militair laat een klein groepje het veld op. De mensen wurmen zich tussen de stoeltjes door, een enkeling happend naar adem. De stoeltjes terugduwen helpt niet, een hoorn laten afgaan evenmin. Sergeant Barron besluit dat de uitgifte moet worden stilgelegd. Demonstratief gaan de vrijwilligers op het gras zitten. Dat helpt. ,,We kunnen niet toestaan dat het weer zo onrustig wordt als gisteren”, zegt Barron tegen zijn mannen. ,,De Haïtianen moeten het zo veel mogelijk zelf oplossen.” De vrijwilligers verspreiden zich en praten op de mensen in. Daarna geeft Barron het sein dat het uitdelen kan worden hervat. ,,En het is pas half negen”, zegt hij wist het zweet van zijn voorhoofd.
,,Er is maar een rotte appel nodig die achterin begint te duwen”, vertelt kapitein Hartsock, commandant van de ‘basis’. ,,Dat zijn de jonge mannen. Tot nu toe hebben we er drie weggestuurd. Die kleintjes moet je trouwens ook in de gaten houden.”
Alleen militairen kunnen een massa als deze in bedwang houden, zegt Donel Reilly, een Ierse coördinator van de hulporganisatie Catholic Relief Services. Hij verkent het terrein voor de komst van twee vrachtwagens uit de Dominicaanse Republiek, met voorraden om 10.000 mensen een week lang te voeden. De Amerikanen hebben Reilly toestemming gegeven om de wagens te lossen op de squashbanen.
,,Wij kunnen veel leveren, maar als wij hier vijf man neerzetten houden die het misschien vijf minuten uit.” Zijn organisatie verdeelt ook voedsel via de kerken. Die kunnen de gemeenschap aansturen, maar de methode is te kleinschalig. Reilly verwacht dat veel hulporganisaties zich de komende dagen bij de Amerikanen in de club zullen voegen.
Helemaal beneden, op de golfbaan, wonen nu tienduizenden Haïtianen. Niemand weet precies hoeveel, want er bestaat nog geen enkele organisatie. Van een tentenkamp kun je niet spreken: alle families verblijven onder beddenlakens, tussen stokken gespannen. Ook het blauwe VN-zeil moet nog arriveren. De enige zichtbare hulp is het konvooi tankwagens met water, waarvoor meteen een rij mensen met jerrycans ontstaat.
Ze maken er het beste van. Het terrein wordt redelijk schoon gehouden. Er zijn winkeltjes waar pasteitjes worden gebakken of houdbaar voedsel wordt verkocht. En er wordt gelachen: ,,Goddank heeft het nog niet geregend.”
