Hart van Verdonk behoeft toelichting
Minister Verdonk wilde nooit haar afwijzing van ‘schrijnende gevallen’ motiveren. Nu dat wel moet, zal de IND nieuwe achterstanden oplopen.
Den Haag, 22 dec. „Bekijk ook de ambtenaren van de Immigratie-en Naturalisatiedienst eens als slachtoffers”, zegt asieladvocaat Frank van Haren. Voor de tweede keer zal de dienst „jaren” moeten besteden met het bestuderen van de duizenden dossiers van asielzoekers die zichzelf een ‘schrijnend geval’ vonden, maar dat volgens de minister van Vreemdelingenzaken niet waren, zegt de advocaat. Maar deze keer zullen ze hun beslissing om iemand wel of niet ‘schrijnend’ te vinden, wel moeten motiveren. Dat is volgens de advocaat het gevolg van een uitspraak van de Raad van State gisteren. „Dan bouwt de dienst weer een achterstand van drie jaar op, dat kan de minister die ambtenaren niet aandoen.”
Gisteren besloot de Raad van State dat de minister voor Vreemdelingenzaken (tot vorige week minister Verdonk, nu Hirsch Ballin), in tegenstelling tot wat de minister zelf vindt, per individueel geval redenen moet geven voor een afwijzende beschikking. Er liggen volgens juristen nog duizenden ‘schrijnende gevallen’ bij rechtbanken waarvoor de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dit soort motiveringen nu moet gaan schrijven.
Dat zal volgens Thomas Spijkerboer, hoogleraar asielrecht aan de Vrije Universiteit, onherroepelijk tot problemen leiden. „Als de IND zich weer jarenlang bezig gaat houden met oude zaken, dan hebben we over vijf jaar weer een groep nieuwe asielzoekers die niet op tijd behandeld is, en waarvoor dan ook weer een oplossing moet worden gezocht.”
De oorsprong van de schrijnende gevallen ligt in een toespraak die Hilbrand Nawijn – voorganger van Verdonk als minister voor Vreemdelingenzaken – op 14 januari 2003 hield. Hij beloofde toen zijn „discretionaire bevoegdheid” te gebruiken om te kijken of asielzoekers in een uitzonderlijke situatie (de schrijnende gevallen dus) buiten de reguliere regels toch een verblijfsvergunning zouden kunnen krijgen. Die toezegging leidde volgens een telling van de IND tot 15.750 brieven, die Verdonk als minister voor Vreemdelingenzaken moest afhandelen.
Verdonk vond altijd dat ze niet hoefde uit te leggen hoe zij die discretionaire bevoegdheid gebruikte. Niet alleen omdat het allemaal unieke zaken waren, waarin ze haar „hart” moest kunnen laten spreken, maar ook omdat het bekend maken van haar overwegingen door andere asielzoekers gebruikt zouden worden om een vergelijkbare behandeling te krijgen.
De rechtbank in Amsterdam besloot op 7 juli van dit jaar dat die manier van werken van de minister tot willekeur kon leiden. Burgers moeten ervan uit kunnen gaan dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Als de minister de redenen voor een besluit niet bekend maakt, kan niemand controleren of dat wel zo is. Verdonk ging in beroep tegen die rechtelijke uitspraak, maar kreeg gisteren ongelijk van de Raad van State.
Eigenlijk ligt die uitspraak voor de hand, zegt hoogleraar Spijkerboer: „Het gelijkheidsbeginsel staat uitgelegd op de eerste pagina van elk bestuursrechtboekje.” Het is volgens hem daarom „nogal storend” dat Verdonk zo lang heeft vastgehouden aan haar vrijheid om niet te motiveren. „Als je 15.000 beslissingen neemt, moet je uitleggen hoe je dat doet.”
De Raad van State heeft weliswaar geen algemene regels geëist, iets waar critici van Verdonk al jaren om vragen, maar toch zal dat het resultaat van de uitspraak zijn, zegt Spijkerboer. „Duizenden consistente motiveringen vormen vanzelf beleid”. En consistent moet het zijn, schrijft de Raad van State zelf ook: „Het gelijkheidsbeginsel vergt een consistente gedragslijn van het bestuur en het bewaken van die consistentie is bij uitstek de verantwoordelijkheid van het bestuur.”
Demissionair minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA), die Vreemdelingenzaken na de politieke impasse over het opschorten van uitzettingen vorige week van Verdonk overnam, heeft nog niet op de rechtelijke uitspraak gereageerd. Een woordvoerder wil niet op de zaak ingaan omdat de uitspraak nu „bestudeerd” wordt.
Het vooruitzicht van nieuwe jarenlange achterstanden bij de IND, zal de overheid vanzelf richting een pardon voor asielzoekers duwen, denken vluchtelingenorganisaties en asieladvocaten. Advocaat Igna Oomen noemt het de „enige praktische manier” om het probleem op te lossen. Niet alleen behoort een groot deel van de ‘schrijnende gevallen’ tot de groep waarvan de deelnemers volgens de Tweede Kamer toch voor een pardon in aanmerking moeten komen. Ook het opnieuw belasten van ambtenaren en rechtelijke macht met deze groep, vraagt om problemen in de toekomst.
In de uitkomst van gisteren ziet Spijkerboer ook een waarschuwing voor de opstellers van een eventueel pardon. Volgens de hoogleraar bewijst de uitspraak dat „juridische slimmigheden” averechts werken. Om een beroep op ‘schrijnendheid’ te vermijden hield Verdonk eerst vol dat het afwijzen van zo’n beroep geen beslissing was waar je tegen in beroep kon gaan. Dat weersprak de Raad van State al eind 2004. Nu is ook het weglaten van een motivatie niet meer mogelijk, en kijkt de IND tegen mogelijk duizenden opnieuw te nemen besluiten aan.
Scherp afbakenen en zuiver formuleren is volgens Spijkerboer dan ook essentieel voor een goed werkend pardon. „Juridische slimmigheden als individuele beslissingen voor grote groepen lijken slim, maar je valt uiteindelijk in je eigen zwaard.”
