'Museum loog over Koenigs'

Door onze redacteur LUCETTE TER BORG

AMSTERDAM, 9 NOV. Irina Antonova, directeur van het Poesjkin-museum in Moskou, heeft de opsporing van de Koenigs-collectie bewust vertraagd. Volgens K. de Jong, hoofd afdeling Collecties bij de Rijksdienst Beeldende Kunst en van 1985 tot 1991 belast met de opsporing van de Koenigs-collectie, liggen de bewijzen daarvoor op tafel.

De Rotterdamse havenbaron D.G. van Beuningen verkocht in 1941 tekeningen uit de collectie van oude Duitse, Italiaanse en Hollandse meesters illegaal aan nazi-Duitsland. Sindsdien was de collectie zoek, maar er bestonden sterke vermoedens dat de tekeningen na de bevrijding door Russische soldaten waren meegenomen. Vorige maand gaf de Russische minister Jevgeni Sidorov officieel toe dat de Koenigs-collectie in Russisch bezit is. Vorige week bezocht de Nederlandse ambassadeur in Moskou, mr. J. Vos, de collectie en toen bleek dat 360 van de 491 tekeningen in Russische handen zijn.

Antonova wist volgens De Jong al sinds haar aanstelling als directeur in 1957 dat de Koenigs-collectie in het Poesjkin-museum lag. Als hoge partijfunctionaris speelde zij een belangrijke rol in de organisatorische opzet van de geheime "Trofeeëndepots' in de voormalige Sovjet-Unie. Door de verblijfplaats te verzwijgen handelde Antonova volgens De Jong “in strijd met internationale codes” voor musea, die ze zelf mede heeft opgesteld.

De Koenigs-collectie bevond zich tot juli vorig jaar in het Poesjkin-museum, aldus De Jong. Van daar werd de collectie naar Zagorsk vervoerd - “de grond werd Antonova te heet onder de voeten”- en vervolgens naar het ministerie van cultuur aan de Arbat in Moskou. Grigori Kozlov, conservator van het Poesjkin-museum, heeft dit vorig jaar tegenover De Jong bevestigd.

De Russische autoriteiten zijn volgens hem ondanks ontkenningen tegen de buitenwereld al een tijd lang op de hoogte geweest van de aanwezigheid van de Koenigs-collectie in Rusland.

Pag 6: Rijksdienst kreeg steeds meer bewijzen

De Jong is een sleutelfiguur in de opsporing van de Koenigs-collectie. Op zijn verzoek schreef Albert Elen in 1989 de catalogus Missing Old Master Drawings from the Franz Koenigs Collection, waarin alle beschikbare informatie over de verdwenen Koenigs-tekeningen gebundeld werd en die het startsein vormde voor een grootse zoekoperatie, geleid door de Rijksdienst Beeldende Kunst. Het spoor voerde naar de voormalige DDR, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, maar vooral naar Rusland, naar het Poesjkin-museum.

“Al in 1945 bestonden er sterke aanwijzingen dat het vermiste deel van de Koenigs-collectie zich in Moskou bevond,” zegt De Jong en hij verwijst naar een tot dusver onbekende, vlak na de oorlog gevoerde correspondentie tussen de president van de Nederlandse Kunststichting, het ministerie van Financiën en de Russische ambassade. De Nederlandse ambassade in Moskou klopte toen al bij het Poesjkin-museum aan, tevergeefs. Van alle fraaie beloften van hulp die de sovjets deden, kwam niets terecht. “De sovjets "zochten' en vonden natuurlijk niets,” zegt De Jong.

Met de publicatie van Elens catalogus hervatte de Rijksdienst de zoektocht die na het uitbreken van de Koude Oorlog en het optrekken van het IJzeren Gordijn was gestaakt. Alleen gebeurde het nu doelbewuster. De Jong: “In 1989 ondernam de ambassade in Moskou een démarche, waarin werd gezegd: "Wij hebben alle reden om aan te nemen dat de Koenigs-collectie zich in Moskou bevindt. Wilt u alles doen om de verzameling boven water te krijgen en deze vervolgens aan de Nederlandse staat teruggeven op grond van internationale verdragen die in de oorlog zijn opgesteld en door u ondertekend? Gaarne antwoord.' Daarnaast werden er contacten gelegd op het niveau van de minsters van WVC en Buitenlandse Zaken, op het niveau van de directeur-generaal van WVC, Jan Riezenkamp, de directeur van de Rijksdienst, Robert de Haas, en op het werkniveau waar Albert Elen en ik ons bevonden. ” Tussen 1989 en 1992 reisden De Haas en De Jong talloze malen naar Rusland en voerden gesprekken met informanten: kunsthistorici, journalisten en conservatoren.

“Onze tactiek is nooit gericht op dwang,” benadrukt De Jong. “We wilden het de Russen zo moeilijk maken met bewijzen dat ze op een gegeven moment de afweging zouden maken: wat levert het ons op als we wél meewerken. In een tijd waarin Rusland een democratiseringsproces doormaakt, wordt het voor officials en politici steeds gevaarlijker om openlijk te liegen. De waarheid kan immers over drie weken weleens op tafel komen, en dan sta je als minister of museumdirecteur wél te boek als leugenaar. Hoe preciezer onze informatie is, hoe explicieter zij moeten liegen. Eén ding hebben we altijd duidelijk gemaakt: dat we nooit voor de collectie gaan betalen.”

Aan Irina Antonova, directeur van het Poesjkin-museum in Moskou, bracht de Rijksdienst als eerste een bezoek. Antonova beloofde "haar uiterste best' te doen om de Koenigs-collectie op te sporen, maar wist wel te melden dat de tekeningen "in ieder geval niet in het Poesjkin-museum lagen'. Bij het tweede bezoek verliepen de gesprekken al minder beleefd en werd Antonova geconfronteerd met een aantal geopenbaarde feiten. Zoals een monografie over Adam Elsheimer uit 1966, waarin twee tekeningen uit de Koenigs-collectie werden beschreven als zijnde afkomstig uit een legaat van prof A.A. Sidorov (geen familie van minister Sidorov) aan het Poesjkin-museum. Deze Sidorov was kunsthistoricus en - zo vermoedde men bij de Rijksdienst - na de Tweede Wereldoorlog als jong officier betrokken geweest bij het transport van kunst uit het bezette Duitsland naar de Sovjet-Unie.

Antonova hield zich van de domme en ontkende glashard dat er een verband bestond tussen de jonge officier Sidorov en de latere begunstiger van haar museum. “Terug in Nederland,” zegt De Jong, “hoorden we dat de dochter van Sidorov twee deuren verder van de plek waar wij Antonova gesproken hadden, als vrijwillig conservator van de collectie van haar vader in het Poesjkin werkte. Antonova had slechts op hoeven staan en die dochter erbij hoeven halen om de zaak op te helderen. De Russen wilden blijkbaar nog niet met de Koenigs-collectie voor de dag komen.”

Ook andere bronnen pleitten in het nadeel van Antonova. De Jong kwam in Moskou in contact met de joodse conservator Sculptuur van het Poesjkin-museum, Michael Lippmann. Lippmann had een artikel in een Russisch wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd over een bronsje van Jacopo da Sansovino, dat volgens Lippmann gemaakt was naar voorbeeld van twee Tintoretto-tekeningen. Deze Tintoretto's waren afkomstig uit de Koenigs-collectie en bevonden zich in het Poesjkin-museum. De Jong: “Lippmann had de tekeningen daar gezien en er zelfs foto's voor bij zijn publicatie van laten maken. Op het moment dat ik hem in Moskou belde, was hij doodsbang. Hij durfde zijn mond niet open te doen omdat hij drie dagen voor zijn emigratie naar Israël stond. Later ben ik naar Israël gevlogen en heb Lippmann opgezocht. Daar vertelde hij me dat hij de Tintoretto-tekeningen had gezien in een tijd dat senior curators - mits ze voorzichtig waren - toegang hadden tot de geheime Trofeeëndepots. Een van die depots, zei hij, bevond zich in het Poesjkin-museum.”

Antonova heeft altijd van het bestaan van de Trofeeëndepots geweten en er altijd aan meegewerkt. De Rijksdienst schreef Antonova "een klinkende brief', waarin ze beschuldigd werd van het achterhouden van informatie. Daar waar een officiële toezegging voor hulp was van de Russische overheid, had de Rijksdienst bewijs dat de directeur van een van de belangrijkste Russische musea niet deed wat haar opgedragen was. Cynisch detail was, dat Antonova de functie van vice-voorzitter van de ICOM (International Council of Museums) bekleedde. En juist in de jaren dat de jacht op de Koenigs-collectie speelde - eind jaren tachtig, begin jaren negentig - ontwikkelde de ICOM een manifest waarin werd vastgelegd dat een fatsoenlijk museumdirecteur geen verzamelingen accepteert waarvan de herkomst twijfelachtig is.

“Antonova onderschreef dit manifest en maakte er zelfs reclame voor,” zegt De Jong. “En god betere het, uitgerekend Antonova had de Koenigs-collectie in een geheime bergplaats in haar eigen museum. Dat hebben we haar ingepeperd. Aan de brief die we haar zonden, voegden we fijntjes de mededeling toe dat een kopie ervan naar het ICOM-bestuur ging. Dat is aangekomen, want een paar weken later trok Antonova zich terug als vice-voorzitter. Het was 1-0 voor ons.”

Antonova is sindsdien internationaal zwaar in discrediet geraakt. Haar buitenlandse reisjes zijn stopgezet, haar positie bij het Poesjkin-museum is onhoudbaar geworden. De 35 jaar machthebbende apparatsjika kan - hoewel nog steeds in functie - niet eens haar ondergeschikten meer de mond snoeren. Zo ondervond Grigori Kozlov - conservator van het Poesjkin-museum - relatief weinig hinder toen hij in 1991 een Russisch document doorspeelde aan de voor Art News werkende journalist Konstantin Akinsja waaruit bleek dat de collectie Koenigs in 1952 in het Poesjkin-museum lag. Toen De Jong Kozlov bezocht vorig jaar, kon deze hem zonder enige angst thuis in zijn appartement te woord staan. De tijd dat de KGB hem had kunnen oppakken was voorbij. En Antonova? “Die kan er maar beter het zwijgen toe doen,” aldus De Jong.

 

Gepubliceerd in:
Claim Koenigs