Claims roofkunst gebundeld

Door onze redacteur LIEN HEYTING

De erfgenamen van de families Gutmann, Goudstikker en Koenigs hebben hun krachten gebundeld in hun pogingen kunstwerken terug te krijgen die in de oorlog in handen vielen van de nazi's en later in het bezit kwamen van de Nederlandse staat. Zij worden gesteund door het World Jewish Congress, dat dit najaar een gesprek zal vragen met de Nederlandse regering. Volgens WJC-directeur E. Steinberg was de reactie van de Nederlandse overheid op de claims tot nu toe `onbevredigend': ,,Wij vinden dat bij de behandeling van deze drie zaken de Nederlandse overheid zich te formeel juridisch heeft opgesteld en te weinig begrip had voor de ethische kanten.''

Het WJC verzet zich, zegt Steinberg, ,,tegen een ongevoelige toepassing van de wet bij oorlogsclaims. Ik vertrouw erop dat wij samen met premier Kok een manier vinden om deze zaken eerlijk op te lossen. Het WJC zal zich hiervoor inzetten tot recht gedaan is aan de erfgenamen. Zo nodig zullen we elk politiek en diplomatiek middel aanwenden om dat te bereiken.''

Steinberg noemt het feit dat de kunstwerken uit de collecties Goudstikker, Gutmann en Koenigs zich nu in Nederlandse musea bevinden `dubieus'.

Nick Goodman, een kleinzoon van het in de oorlog omgekomen joodse echtpaar Friedrich en Louise Gutmann uit Heemstede, Marei von Saher, de schoondochter van de in 1940 overleden kunsthandelaar Jacques Goudstikker, en Christine Koenigs, kleindochter van de in 1941 gestorven Franz Koenigs, zijn al jarenlang verwikkeld in een strijd met de Nederlandse overheid over het eigendom van kunstwerken die hun voorouders in de oorlog zijn kwijtgeraakt. Na 1945 werden deze kunstvoorwerpen uit Duitsland gerecupereerd en vervielen aan de Nederlandse Staat. Omdat hun claims tot nu toe niet zijn erkend, hebben Goodman, Von Saher en Koenigs afgelopen zomer gezamenlijk contact opgenomen met het WJC. In een brief aan het WJC beschuldigen zij de Nederlandse regering van een `kille' houding tegenover oorlogsclaims en van een `rigide en keiharde opstelling'. Na die brief voerden ze in New York een gesprek met Israel Singer en Elan Steinberg van het WJC. Tijdens dit gesprek, op 3 augustus jl., werd hun de steun van het WJC toegezegd.

De samenwerking tussen de drie claimanten staat los van de civiele procedure die de Amerikaanse erfgename van de joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker tegen de Nederlandse staat voert. Deze procedure wordt voortgezet. Marei von Saher eist de 235 schilderijen uit de collectie Goudstikker terug die in de oorlog verkocht werden aan rijksmaarschalk Göring nadat Goudstikker bij zijn vlucht uit Nederland om het leven was gekomen. De advocaat van de erven Goudstikker, mr. H. Schonis, wil geen commentaar geven op de inschakeling van het WJC en de samenwerking met de erven Gutmann en Koenigs.

De in Los Angelos wonende Goodman zegt dat de achtergronden van de drie claims weliswaar verschillen, ,,maar door samen te werken staan we sterker.'' Hij verwacht dat het WJC de Nederlandse regering in gesprekken tot een andere houding zal weten te bewegen, en anders politieke druk zal uitoefenen. Volgens Christine Koenigs – wier grootvader Franz Koenigs overigens niet joods was – zal het WJC in het uiterste geval overwegen om in de Verenigde Staten een rechtszaak tegen de Nederlandse staat aan te spannen.

Na de oorlog waren er diverse redenen waarom de kunstwerken uit de collecties Gutmann, Koenigs en Goudstikker niet – of niet allemaal – terugkwamen bij de families. Lili Gutmann, dochter van het echtpaar Friedrich en Louise Gutmann, kocht in de jaren vijftig slechts een deel van de kunstwerken terug die tijdens de oorlog door haar vader aan de Duitsers waren verkocht. Over deze terugkoop sloot ze een overeenkomst met de Nederlandse autoriteiten. Ook met de weduwe Goudstikker werd na de oorlog een schikking getroffen. De erfgenamen van zowel Goudstikker als Gutmann menen nu dat bij deze overeenkomsten destijds geen recht werd gedaan aan hun families. Maar de Nederlandse regering wil die overeenkomsten niet meer herzien.

Christine Koenigs betwist de rechten van de Nederlandse overheid op de kunstcollectie van haar grootvader Franz Koenigs. Kunstwerken uit deze collectie, waaronder een groot aantal tekeningen, kwamen op verschillende manieren in handen van de Duitsers. Volgens Christine Koenigs gebeurde dit onder druk van de oorlogsomstandigheden, volgens de Nederlandse overheid door vrijwillige verkoop. Aangezien kunstwerken die vrijwillig aan de Duitsers waren verkocht na de oorlog aan de Nederlandse staat vervielen, kwam een deel van de Koenigscollectie in het bezit van de Nederlandse overheid. Een ander deel, dat na de oorlog niet naar Nederland werd gerecupereerd maar door de Russische troepen werd buitgemaakt, bevindt zich in het Poesjkin Museum in Moskou. Tot nu toe heeft Rusland geweigerd dit deel van de Koenigscollectie aan Nederland af te staan.

 

Gepubliceerd in:
Claim Koenigs