Hermitage-directeur: liefst kunst in ruil voor oorlogskunst

Door MARIANNE VERMEIJDEN

SINT PETERSBURG, 7 APRIL. Negenennegentig procent van de Russen wil geen afstand doen van 'de trofeeën', kunstwerken die het Rode Leger in 1945 meenam uit Duitse private en openbare collecties. Dat is de schatting van Mikhail Piotrovsky, directeur van de Hermitage in Sint Petersburg, het museum dat nu laat zien welke impressionistische en post-impressionistische schatten uit Duits bezit het vijftig jaar verborgen heeft gehouden. “We hebben sinds kort een democratisch parlement”, zegt hij, “goed, laten die 99 procent dan 95 procent zijn!”. En even krijgt de gestolde glimlach op zijn gezicht de trekken van een grijns.

Piotrovsky voert de scepter over vierhonderd conservatoren en bijna drie miljoen kunstwerken. Mannen in legeruniform bewaken de gang naar zijn metershoge kamer. Als een bezoeker Engels spreekt, kan hij ongemoeid doorlopen om dan ineens oog in oog te staan met de museumdirecteur, wiens vader hier 26 jaar eveneens als directeur werkzaam was. Nooit heeft de zoon de vader gevraagd de verborgen 'trofeeën' te mogen zien.

Piotrovsky zetelt achter een bureau dat zich kan meten met de kade van de Newa. Naast hem hebben zich papieren kwesties opgestapeld en boven zijn hoofd hangt Catharina de Grote, in 18de-eeuwse verf. Ze geeft een knipoog, lijkt het. Verder houden zich hier nog 24 stoelen en een vergadertafel op, omringd door drie kolossale, blauw-groene wandtapijten met bosgezichten. Klein wild doet zich op de weefsels tegoed aan ander klein wild.

Buiten, in de smeltende sneeuw, staan de bewoners van Sint Petersburg in de rij voor de 74 schilderijen, meegetroond uit Duitse huizen en depots. Ze hoeven niet al te lang te wachten. Inmiddels is het merendeel van de honderden journalisten vertrokken. Menigeen zal zich herinneren hoe kalm en diplomatiek de Hermitage-directeur de antwoorden op hachelijke vragen wist te omzeilen.

“Ik wil goodwill kweken”, zegt Piotrovsky nu, “en al met al viel die bijeenkomst nogal mee. Als archeoloog heb ik expedities geleid in het zuiden van Saoedie-Arabië. Dat was aanzienlijk moeilijker.” In moeilijkheidsgraad komt de Duitse roep om teruggave aardig in de buurt van die expedities. “Er is inderdaad een probleem en daar moet een oplossing voor komen. Ik ben optimistisch, en dat moet ik wel zijn.”

Waar dat optimisme vandaan komt blijft een raadsel. Piotrovsky is geen hardliner, zoals zijn collega Irini Antonova, directrice van het Poesjkin Museum in Moskou dat nu eveneens zijn oorlogsschatten tentoonstelt. Westerse collega's respecteren hem aanzienlijk meer dan Antonova. Maar de bejaarde Antonova zit dicht bij het vuur, beschikt in Moskou over invloedrijke, politieke relaties en weet zich gesteund door vele Russen als ze zegt dat 'de stukken hier moeten blijven, als compensatie voor wat de nazi's Rusland hebben aangedaan'.

Piotrovsky, sinds 1992 directeur, wil als een behoedzame tacticus de kool en de geit sparen, concessies doen en steeds afzonderlijke regelingen laten treffen voor steeds weer andere kunstwerken, uit verschillende landen, uit zowel particuliere als openbare collecties. Regelingen, waarvoor nu, zoals hij bij herhaling zegt, elk wettelijk kader ontbreekt. Het wetsvoorstel dat eind vorige maand de Federatieraad heeft aangenomen - het sluit teruggave van zogenaamde oorlogskunst uit - vindt Piotrovsky een 'slecht concept'. Het moet de Doema en president Jeltsin nog passeren.

De bevolking is zo faliekant tégen teruggave, dat, mocht in het kader van goede oost-west betrekkingen alsnog tot gedeeltelijke recuperatie worden besloten, de kisten bij de grens zullen worden opgehouden, voorspellen Russische waarnemers. Er zijn genoeg rekeningen uit de oorlog te vereffenen en de barre economische situatie zou de Russische generositeit tot nul hebben gereduceerd. Menige Rus stuurt de Duitsers het liefst een rekening voor conserveringskosten van de afgelopen vijftig jaar.

“Er zijn alternatieven”, zegt Piotrovsky, vice-voorzitter van de zogenaamde restitutie-commissie die zich in eerste instantie buigt over kunst uit openbare collecties. “We kunnen met de Duitsers bijvoorbeeld praten over restauratie van de kerken in Novgorod, waarvan de fresco's in de oorlog vernield zijn. De Duitsers zelf hebben het idee geopperd om deze kunstwerken als langdurige bruiklenen te beschouwen, of om ze te zien als kunst in een soort niemandsland.”

“Een ding is duidelijk: Sommige werken zullen in dit land moeten blijven. Een financiële regeling bij restitutie lijkt me niet wenselijk. Een compensatie in kunstwerken is 'cleaner'. In dat opzicht ben ik een 19de-eeuwer, ik houd niet van zo'n geldaanbod, ook niet als dat voor herstelwerkzaamheden is bestemd. Zonder buitenlandse gelden is het ons gelukt de afgelopen decennia al veel te restaureren. En mocht er toch geld aan te pas komen, dan weet ik trouwens niet of dat wel voor restauraties gebruikt zal worden.

“We kunnen onderhandelen wat we willen, geen enkele regeling zal iedereen kunnen bevredigen. Verder kan ik er persoonlijk weinig over zeggen. Beslissingen worden op regeringsniveau genomen. De Hermitage laat de schilderijen alleen maar zien.”

Toch meldt het doorgaans goed geïnformeerde, Amerikaanse Artnews deze maand dat met de Duitse erfgenamen van Otto Gerstenberg, uit wiens bezit de mooiste werken op de huidige tentoonstelling afkomstig zijn, twee jaar geleden al een regeling is getroffen. Het daarbij betrokken veilinghuis Sotheby's onthoudt zich tot nu toe van commentaar. Place de la Concorde van Edgar Degas, het topwerk op de huidige Hermitage-tentoonstelling, gaat terug naar de erven. De helft van Gerstenbergs bezit blijft in Rusland. De Russische vice-minister van cultuur Mikhail Shvidkoi zou dat begin dit jaar in New York hebben bevestigd en Piotrovsky zou die overeenkomst mede tot stand hebben gebracht.

“Er kan geen regeling zijn getroffen”, zegt Piotrovsky nu, “want de schilderijen van Gerstenberg zijn hier, zoals u ziet.” Inmiddels heeft Shvidkoi, terug in Moskou, zichzelf tegengesproken; Rusland heeft het volste recht de kunstwerken te behouden, zei hij.

Bezit de Hermitage zes tekeningen uit de Koenigs-collectie, zoals ingewijden blijven beweren? “Voor zover wij weten”, aldus Piotrovsky, “zijn er uit deze verzameling geen werken in dit museum. De Koenigs-collectie is trouwens weer een zaak apart, waar weer een andere oplossing voor gezocht moet worden. Ook hier zal het moeilijk zijn tot een besluit te komen waarbij iedereen zegt 'dank u wel'.”

Wat bedoelde Piotrovsky trouwens toen hij vorige week zijn personeel vertelde 'trots te zijn op het bewaren van het geheim'?

“Na de oorlog waren veel in beslag genomen kunstwerken uit Duits bezit hier in musea te zien. Het kon dus menigeen bekend zijn dat deze schilderijen hier waren. De staat gaf later het bevel de stukken op te bergen. Toen werd dit bezit een geheim waarvan de KGB en conservatoren afwisten. Niet alleen wij, menig 'professional' in menig museum, ook in het westen, draagt een geheim met zich mee.

“Het was dus een staatsbevel over deze oorlogsschatten te zwijgen. Zou men dat niet hebben gedaan, dan kwam men weliswaar niet in de Goelag terecht, maar er zouden wèl moeilijkheden op het werk zijn ontstaan. Wie morele problemen met die zwijgplicht had, kon dus beter opstappen. We zijn bezig de afgelopen decennia te evalueren. Nu al kan ik stellen dat tijdens die Sovjet-periode dit museum zijn plicht goed heeft vervuld.”

Dat zelfs oud-medewerkers van de Hermitage gezwegen hebben, verbaast Piotrovsky niet. “We houden niet van roddel. Een geheim verzwijgen is trouwens ook iets anders dan liegen”. En daarmee doelt hij op collega Antonova in Moskou, die in 1945 de Duitse bezittingen heeft helpen uitpakken, maar nog tot voor kort beweerde dat er geen oorlogstrofëen in haar museum te vinden waren.

Nee, over een gebrekkige samenwerking met Antonova's Poesjkin Museum is geen sprake. “Beide musea hanteren een andere stijl”, zegt hij. Waarom komt het dan straks niet tot een gemeenschappelijk exposeren van de Goudschat van Priamus, de 19de-eeuwse archeologische vondst van Heinrich Schliemann die de Sovjet-brigaden meenamen uit Berlijn? “Beide musea kunnen die stukken beter apart exposeren om de zaak niet te compliceren. Archeologen vinden de Schliemann-bronzen die dit museum bewaart interessanter dan dat sensationele goud in Moskou. Ik zeg dat niet met trots, want die bronzen zijn ons eigendom niet.” Het goud van Schliemann heeft Piotrovsky overigens nog steeds niet met eigen ogen in Moskou gezien.

Als hem ten slotte wordt gevraagd welk doek op de tentoonstelling van zijn 'Hidden Treasures Revealed' zijn favoriet is, glijdt er een ontspannen lach over zijn gezicht. Even wekt hij overtuigend de indruk dat de tentoonstelling van de buit hem inderdaad alleen om de kunst, om schoonheid is te doen. “De kleine Van Gogh”, zegt hij; dat miniscule, maar niettemin monumentale Provençaalse landschap, waarop een boer tussen okeren en roestbruine velden in zijn eentje voortploegt.

 

Gepubliceerd in:
Internationaal: Rusland