Botten liegen niet
Tien jaar na de Servische verovering van Srebrenica puzzelt Eva Klonowski in een fabriekshal in Bosnië elke dag lichamen in elkaar van de oorlogslachtoffers. Doel: waarheidsvinding. ,,Botten vertellen hoe iemand is gemarteld en vermoord.'' En eerbetoon: "Als een lichaam is geïdentificeerd is het weer een persoonlijkheid."
Morning bones!
De Poolse forensisch antropoloog Eva Klonowski staat bij een lange aluminium tafel waar meer dan vijftig dijbenen op liggen. Ze draagt een witte overall en lichtblauwe plastic handschoenen, in haar hand houdt ze een bot van een linkerdijbeen. Ze zoekt het rechterdijbeen dat erbij past en mompelt: ,,Femur, femur'', de Latijnse naam voor dijbeen. Ze zoekt bijna een halfuur en dan roept ze: ,,Ik heb hem!'' Ze loopt naar een skelet waarvan de dijbenen ontbreken en ze legt de botten op hun plaats. ,,Ik werk voor de doden'', zegt ze. ,,Ik wil niet dat ze naamloos het graf ingaan. Als een lichaam is geïdentificeerd is het weer een persoonlijkheid. Het is dan opeens weer meer dan een verzameling botjes.''
De tafel met botten staat in een vroegere machinefabriek bij de stad Sanski Most, in het noordwesten van Bosnië. Eva Klonowski helpt samen met andere forensisch experts bij de identificatie van slachtoffers uit de oorlog. In 1996 deed ze voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag onderzoek in de massagraven bij Srebrenica, maar na drie maanden was ze daarmee opgehouden. Ze vond dat het tribunaal te weinig aandacht had voor de slachtoffers zelf en de nabestaanden. ,,Het tribunaal'', zegt ze, ,,is alleen maar geïnteresseerd in bewijsmateriaal.''
Ze vond ook dat er veel fouten werden gemaakt. ,,In sommige lijkzakken liggen nu botten van tien verschillende doden. Dat is slecht, onprofessioneel werk.'' Ze denkt dat er te snel gewerkt moest worden. Er was niet veel geld voor het onderzoek en de antropologen en pathologen die naar de Balkan waren gestuurd hadden volgens haar te weinig ervaring. ,,Het is voorgekomen dat de stoffelijke overschotten de verkeerde identiteit hebben gekregen. Dan staan er verkeerde namen op grafstenen, en andere slachtoffers blijven voor altijd vermist. Een nachtmerrie.''
Na haar werk voor het Joegoslavië-tribunaal was Eva Klonowski vrijwilliger bij een moslimorganisatie voor vermisten in Bosnië. Nu werkt ze voor de International Commission on Missing Persons. Tijdens de oorlog in Joegoslavië, begin jaren negentig, werden honderdduizenden burgers weggejaagd uit hun dorp of stad. 40.000 mensen stonden daarna geregistreerd als vermist en de commissie probeert hen te vinden, dood of levend. Meer dan 80 procent van de vermisten is moslim, 12 procent is Bosnisch-Servisch en een klein percentage is Bosnisch-Kroatisch. De commissie adviseert nu ook de regering van Irak bij het zoeken naar slachtoffers van het regime van Saddam Hussein en de regering van Thailand na de tsunami.
Na de val van de moslimenclave Srebrenica werden er volgens de commissie bijna 8.000 mensen vermist en volgens het tribunaal in Den Haag werden er zo'n 7.000 vermoord. 2.000 lichamen zijn nu geïdentificeerd. ,,We krijgen Srebrenica nooit af'', zegt Eva Klonowski. ,,Ik voorzie dat er over honderd jaar nog menselijke resten gevonden zullen worden in de bouwputten.''
Er werden veertig massagraven met slachtoffers uit Srebrenica geopend, en van dertig is vastgesteld waar ze zijn, maar daar wordt nog niet aan gewerkt. Eva Klonowski: ,,Als er meer geld was, zou je meer kunnen doen. De nabestaanden van de vermisten moeten veel te lang wachten.'' Pas na 2001 kwam er geld voor DNA-onderzoek. Eva Klonowski vindt dat ,,schandelijk laat''. ,,Met die techniek heb je snel resultaat. Je stuurt een stukje bot op en binnen twee weken heb je de uitslag.''
Botten en nummers
Volgende week is het tien jaar geleden dat Srebrenica werd veroverd door de Bosnische Serviërs. ,,Srebrenica staat voor de gruweldaden van de laatste Balkanoorlog'', zegt Eva Klonowski, ,,zoals Auschwitz staat voor de gruweldaden van het nazi-regime. 7.000 mensen werden in een paar dagen tijd afgemaakt. Maar vergeet niet wat er hier, in het noordwesten, is gebeurd. De genocide is hier begonnen, en het moorden duurde hier niet een paar dagen, maar jaren.''
In het noordwesten van Bosnië hadden de Bosnische Serviërs drie grote gevangenkampen ingericht: Omarska, Keraterm en Trnopolje. Daar werd gemarteld, verkracht en gemoord. In de buurt van de kampen werden later massagraven ontdekt. Een speciale commissie van de Verenigde Naties, die begin jaren negentig onderzoek deed naar schendingen van het internationaal recht in ex-Joegoslavië, meldde in haar eindrapport dat in één jaar meer dan 50.000 inwoners uit het gebied - vooral moslims - werden gedood of verdreven. ,,Het was veel erger dan etnische zuivering'', zei een commissielid, de Nederlandse hoogleraar strafrecht Tineke Cleiren, later. ,,Het was genocide.''
De fabriekshal laat zien wat de gevolgen ervan zijn. Op witte plastic zakken en grote vellen bruin papier liggen skeletten of delen van skeletten met stukken van een T-shirt, een trui, een broek, schoenen. Soms een agenda. Op lange aluminium tafels langs de kant liggen botten, schedels, kaken. ,,Het is puzzelen om een lichaam compleet te krijgen'', zegt Klonowski.
Soms werden lichamen twee keer begraven. ,,In een poging misdaden te verdoezelen hebben de Serviërs lichamen van Kroaten en moslims opgegraven en voor een tweede keer in een graf gedumpt. Met draglines werden de lijken uit het eerste graf gehaald. Dat kun je aan de botten zien en het maakt de identificatie erg gecompliceerd. Soms zijn er botten achtergebleven in het eerste graf en dan krijg je een skelet niet meer compleet.''
In de hal van 900 vierkante meter liggen de overblijfselen van zo'n duizend mensen. Elke week komen er nieuwe lichamen bij uit graven of massagraven. Die worden in plastic zakken bewaard. Als er in de hal een plek vrijkomt omdat een lichaam is geïdentificeerd en aan de nabestaanden is gegeven, wordt een nieuw lichaam uit de zak gehaald. Het wordt gewassen, gedroogd en op een vel bruin papier gelegd. De botten krijgen een nummer. Er wordt een tekening gemaakt van het skelet en met een gele stift wordt aangegeven welk deel aanwezig is.
Daarna begint de speurtocht. De gegevens die er al zijn, bijvoorbeeld over het gebit, worden dan meteen in een computer ingevoerd. De identificatie duurt weken, soms maanden, zegt Eva Klonowski.
Sinds de onderzoekers van de International Commission on Missing Persons gebruikmaken van DNA-profielen, gaat de identificatie sneller. Er werden 71.800 bloedmonsters verzameld van familieleden van 25.721 vermisten. Deze gegevens staan in een computer op het hoofdkantoor in Sarajevo. Als nieuwe DNA-gegevens worden ingevoerd, gaat de computer na of die overeenkomen met al geregistreerde gegevens.
Ziel
Op een vrijdagochtend in juni loopt ze door de hal. Ze staat stil bij nummer 276. Het skelet op het bruine papier is bijna compleet. Uit het rechterdijbeen is een stuk bot gezaagd van tien bij vier centimeter voor DNA-onderzoek. Bij de botten ligt een gestreept shirt in de kleuren oranje, blauw en groen. Eva Klonowski zegt dat het lichaam geïdentificeerd kon worden omdat de zus van het slachtoffer bloed had afgestaan. ,,Gisteren kwam ze. Ze wilde haar broer nog een keer zien. En ze had een foto van hem meegenomen. Op die foto droeg hij hetzelfde shirt.''
Eva Klonowski zegt dat ze samen met de vrouw heeft gehuild. Ze heeft veel contact met nabestaanden omdat DNA-materiaal wordt gebruikt bij de identificatie. Ze hoopt, zegt ze, dat nabestaanden rust krijgen als een lichaam is geïdentificeerd. ,,Ik hield veel van mijn vader. Hij kreeg een hartaanval op weg naar het strand. Ik weet hoe hij dood is gegaan. Ik weet waar hij begraven is. Dat geeft rust. Nabestaanden van slachtoffers uit deze oorlogen hebben dat niet.''
Ze zegt dat de botten waar ze mee werkt ,,een ziel'' krijgen door de verhalen van de nabestaanden. ,,Het is geen dood materiaal. Ze leven door de verhalen die verteld worden. En botten liegen niet. Ze vertellen hoe iemand is gemarteld en vermoord. Ik weet leeftijd, geslacht, doodsoorzaak, lengte. De botten vertellen het mij.''
In een kantoortje naast de fabriekshal staat een vrouw van middelbare leeftijd, ze draagt een hoofddoek en een lange bruine rok. Haar kleindochter van veertien speelt met een mobiele telefoon. De vrouw heeft foto's bij zich van haar man en haar twee zoons die sinds 1993 worden vermist. Voor de identificatie is DNA-materiaal nodig en dat moet worden afgestaan door een kleinzoon in de Verenigde Staten. Een medewerker van de commissie voor vermiste personen vult de papieren in die nodig zijn voor het DNA-onderzoek. Als de vrouw wegloopt kijkt ze even door het raam van de fabriek. Ze ziet de schedels die op tafel staan. Ze kijkt snel weg en ze houdt een hand voor de ogen van haar kleindochter.
In de fabriekshal zelf staat de Bosnische politieman Vehid Sljivar met een schedel in zijn hand. Aan beide kanten van de schedel zitten gaten van een kogel. Sljivar meet de diameter. Hij zegt: ,,Wij weten de naam van deze man. We weten hoe hij is gedood. En wij weten bijna zeker wanneer hij is vermoord en door wie. Ik verwacht dat de verdachte één dezer weken wordt opgepakt.''
Sljivar is door de politie van Sanski Most gedetacheerd bij de commissie die onderzoek doet in Sanski Most. Hij werkt nauw samen met de officier van justitie om verdachten van oorlogsmisdaden op te sporen. ,,Over een paar jaar sluiten ze de deuren van het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag, maar wij zullen niet rusten voordat de laatste misdadiger is vervolgd.'' In Sarajevo is een speciale oorlogsrechtbank opgericht voor die zaken. Eva Klonowski verwacht dat ze vaak als getuige-deskundige zal worden opgeroepen. ,,Voor de waarheidsvinding en de geschiedschrijving is het zinvol als je de bevindingen ook in de rechtszaal kunt vertellen.''
Als Eva Klonowski snel door de hal loopt - ze heeft voordurend haast - raakt ze soms met haar voet een schedel of een bot op het bruine papier op de grond. ,,Przepraszam'', zegt ze dan. ,,Voor mij zijn ze niet dood, dus ik moet mij verontschuldigen. Dat doe ik in het Pools.'' En ze zegt: ,,Deze mensen leven voort in hun familie en vrienden. Ik ben hun verbinding met het leven, ik vecht voor hun identiteit. Ik breng mijn dagen met hen door. Als ik binnenkom zeg ik altijd Morning bones en ik zal ook nooit weggaan zonder ze gedag te zeggen. Pas was ik al op weg naar de stad en toen ben ik even teruggereden. Ik was vergeten om afscheid van hen te nemen.''
Vermiste personen
De International Commission on Missing Persons (IC-MP) is een internationale non-gouvernementele organisatie die duidelijkheid wil verschaffen over het lot van slachtoffers en vermisten van de conflicten in het voormalig Joegoslavië. Hoewel het mandaat zich uitstrekt over het gehele voormalige Joegoslavië, is de commissie voornamelijk actief in Bosnië-Herzegovina.
De IC-MP is in 1996 opgericht, op instigatie van de Amerikaanse president Bill Clinton, tijdens een conferentie van de G7 in Lyon.
Tot 2002 werd er met traditionele methodes van identificatie gewerkt (kledingstukken, gebitsstructuur, gevonden resten van persoonsdocumenten). In 2002 startte het IC-MP met een nieuwe techniek, gebaseerd op identificatie door middel van DNA-profielen. De nabestaanden van de slachtoffers staan op vrijwillige basis bloedmonsters af, waarvan het DNA-profiel vervolgens wordt vergeleken met de DNA-structuren in de botten van de gevonden lichamen.
Het budget van het IC-MP bedroeg vorig jaar ruim 10 miljoen dollar. De Verenigde Staten is met 4,7 miljoen de grootste donor, Nederland komt met 2,5 miljoen dollar op de tweede plaats.
Op de website (http://www.ic-mp.org/home.php) wordt iedere week de nieuwe stand gemeld van het aantal identificaties met behulp van DNA. Actuele stand: 7.706.
Wie is Eva Klonowski?
,,Ik ben in 1946 geboren in Polen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zaten mijn ouders in het verzet. AK, de 'legale arm' van de regering in ballingschap. Na 1945 kwam de familie Klonowski op de zwarte lijst.
In december 1981 werd door generaal Jaruzelski in Polen de staat van beleg afgekondigd als reactie op de hervormingsbeweging Solidariteit. Ik was hoogleraar antropologie aan de Universiteit van Wroclaw en op dat moment met mijn man en baby in Zwitserland voor een skivakantie. Wij wilden niet meer terug en hadden plannen om naar Australië te emigreren. Dat bleek een lange weg te zijn en toen kwamen we erachter dat IJsland 25 mensen wilde opnemen als die een agrarische of medische achtergrond hadden. Voor mijn man ging dat op, ik heb een beetje gesjoemeld.
Ik ben forensisch antropoloog. Op IJsland zijn weinig lijken, af en toe duikt er één op uit de lava. Toen mijn twee dochters volwassen waren wilde ik aan de slag, dus van het eiland af.
Na het einde van de oorlog in Joegoslavië wilde ik erheen om te helpen. Ik ben op het vliegtuig gestapt en ben aan de slag gegaan. Deze regio laat mij niet meer los. Ik ben nu ereburger van Bosnië-Herzegovina. Dat vind ik een eer. Ik werk niet voor de roem, want dan was ik wel hoogleraar geworden.
Ik ben niet gelovig, dus een beloning in het hiernamaals zit er niet in. Ik werk voor de doden en hun nabestaanden. Het laatste vingerkootje van een skelet vinden, dat is de kroon op mijn werk.''
