Crisis is complexer dan alleen de bonuskwestie
De G20 zal gedomineerd worden door de discussie over bonussen. Maar een uitspraak van de G20 is te weinig om een contract tussen een bankier en zijn baas open te breken.
Amsterdam/Pittsburgh, 23 sept. Als het toch eens mogelijk was: je schaft alle bonussen af bij banken en je krijgt nooit meer een financiële crisis zoals de wereld die nu doormaakt. Bankiers kennen hun grenzen, gaan zich eindelijk minder roekeloos gedragen en zullen nooit meer de chaos creëren die ze de afgelopen jaren van het financiële systeem maakten.
Wie de voorbereidingen op de G20-top in Pittsburgh volgt, zou denken dat er regeringsleiders zijn die dat echt geloven. De leiders van de twintig grootste industrielanden komen morgen en overmorgen in de Amerikaanse staalstad bijeen. De bonussen zijn een controversieel punt op de top, zoveel is zeker. Maar de problemen waar de wereld twee jaar na het uitbreken van de kredietcrisis mee kampt zijn groter en complexer dan het salaris van bankiers. Op de agenda staan onderwerpen als transparantie, klimaat, vrijhandel, het versterken van de kapitaalbuffers van banken, het aanpakken van belastingparadijzen en het bestrijden van mondiale onevenwichtigheden.
De retoriek die nu gaande is over de bonussen doet vermoeden dat de top alleen geslaagd is als er afspraken gemaakt kunnen worden om de exorbitante bankiersbonussen aan banden te leggen. De Franse president Sarkozy doet weer zijn bekende G20-trucje door te zeggen dat hij van de onderhandelingstafel weg zal lopen als er geen vooruitgang in de bonusdiscussie wordt geboekt. Hetzelfde deed hij een half jaar geleden bij de G20-top in Londen over financiële hervormingen.
Ondanks alle ophef over de bonussen, is het meest wezenlijke onderwerp op de G20-agenda dat van de mondiale onevenwichtigheden. Daarin komen ook vrijhandel en klimaatcrisis samen. Een terugkerend element in elke analyse van de recessie is de scheve verhouding tussen overschot- en tekortlanden. Landen als India en China sparen en produceren, terwijl landen als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten lenen en consumeren. Een Chinees spaart gemiddeld 40 procent van zijn inkomen, een doorsnee Amerikaan komt dit jaar niet verder dan 5 procent – wat wel fors meer is dan de 1,2 procent van begin 2008.
Die onevenwichtigheden worden gezien als een van de belangrijkste aanjagers van de zeepbel die met het instorten van de Amerikaanse huizenmarkt ten einde kwam. De onevenwichtheden zijn nu tijdelijk wat kleiner, maar de vrees bestaat dat bij onvoldoende politieke daadkracht de wereld weer snel in zijn oude gewoonte zal terugvallen.
