Arthur Seyss-Inquart, een keurige man
Dr. Arthur Seyss-Inquart werd in de nacht van 15 op 16 oktober 1946 wegens oorlogsmisdaden opgehangen.
Een jonge, capabele advocaat leidt samen met zijn gezin een onbesproken leven in een keurige voorstad van een metropool. Op een dag wordt hij door een bizarre maalstroom van omstandigheden en toevalligheden uit zijn huiselijke idylle weggezogen en de grote politiek ingeslingerd. Twee jaar nadat de wereldgeschiedenis hem op de schouder tikte, is hij absoluut heerser over een rijk, ontwikkeld land, waarvan hij eerst zelfs de naam maar amper kende. Hij baadt in weelde en beschikt over leven en dood van miljoenen onderdanen. En dan, even plotseling als het is begonnen, is het voorbij. In een roman zou onze held misschien sadder and wiser terug bij af zijn geweest. In werkelijkheid echter nam het publiek met een happy end geen genoegen. Dr. Arthur Seyss-Inquart werd in de nacht van 15 op 16 oktober 1946 wegens oorlogsmisdaden opgehangen.
In zeker opzicht wilde de voormalige Reichskommissar in den besetzten niederlandischen Gebieten een romanfiguur zijn, die immers geen schuld draagt aan de gebeurtenissen waarin hij is verwikkeld; alles wordt gedirigeerd door de god aan wiens brein alles is ontsproten, de auteur. Seyss wilde steeds de verantwoordelijkheid voor zijn daden buiten zichzelf leggen, maar juist niet op het primitieve 'Befehl ist Befehl'-niveau. Ook toen het nog volkomen ondenkbaar leek dat de machtigste man van Nederland aan een strop zou bungelen, liet Seyss-Inquart geen gelegenheid ongebruikt om te beklemtonen dat hij maar een stuk gereedschap was in handen van das Schicksal. Het is een haast magisch, intens Duits begrip, dat zowel noodlot als lotsbestemming betekent. In talloze toespraken in bezet Nederland verwees Seyss naar das Schicksal dat hem en zijn landgenoten ertoe dwong zo in Europa huis te houden. Hij stelde das Schicksal ongeveer voor als een menselijk wezen met bovennatuurlijke krachten. Ook hij, Seyss, kon er niets aan doen dat dit superieure wezen werkte zoals het werkte; alleen wist hij dat het goed voor allen zou blijken te zijn. En als de Nederlanders dit geloof van Seyss nu maar hadden willen delen, hoefden er geen polizeistandrechtliche executies te worden uitgevoerd, zouden er geen razzia's zijn gehouden en was er geen hongerwinter geweest. Natuurlijk kwam men deze retoriek over de kosmische missie die het Derde Rijk moest volvoeren, vaker tegen. Uit deze biografie valt evenwel op te maken dat Seyss-Inquart het ook echt meende. Ironisch genoeg had hij daarin zelfs tot op zekere hoogte gelijk, zij het anders dan hij dacht. Das Schicksal van de Oostenrijker A. Seyss-Inquart uit Iglau werd inderdaad bepaald door een menselijk wezen, namelijk de Oostenrijker A. Hitler uit Braunau. Met hart en ziel was Seyss-Inquart Hitler toegedaan.
KULTURMENSCH
Daarmee zijn we ook meteen toegekomen aan de voornaamste betekenis van deze heldere, afstandelijke biografie. Het boek geeft aan hoe het mogelijk is dat een erudiete, intelligente, niet-getraumatiseerde man zich met huid en haar aan het nazidom kon verslingeren. Seyss-Inquart is in dat opzicht veel interessanter - maar ook griezeliger - dan de uit goot en gevangenis gekropen sadis-ten en ontremde kleinburgers die in het Derde Rijk eindelijk kansen kregen om zich 'te ontplooien'. Seyss was de uitdrager en vertegenwoordiger van een sinistere ideologie en tegelijk een Kulturmensch. De vraag hoe het land van Goethe, Schiller, Hegel, Kant, Bach en Schumann het nationaal-socialisme kon voortbrengen, alsof het hier een absurde paradox betreft, wordt in de persoon van Seyss-Inquart beantwoord: er is geen tegenstelling. Na de hele dag met Rauter en Himmler te hebben getelefoneerd over deportaties, razzia's en doodvonnissen, kon de Reichskommissar zich thuis, op het Haagse landgoed Clingendael, terugtrekken tussen zijn collectie grammofoonplaten om verder met tranen in de ogen naar de Matthaus Passion te luisteren. Genieten van Duitse cultuur was voor Seyss een vanzelfsprekende manier om zijn Duits-zijn en dus het nazi-zijn te beleven.'De mens' Seyss-Inquart blijft in het hele boek op grote afstand, al verschaft Neuman de lezer wel degelijk details uit Seyss' priveleven (hij was een toegewijde echtgenoot en een vader die oprecht in zijn kinderen was geinteresseerd) en over zijn persoonlijkheid. Voor een deel ligt dat aan Neumans opzet. Hij koos ervoor de periode in Nederland, tussen 1940 en 1945, op te splitsen in min of meer thematisch geordende hoofdstukken: Seyss en de jodenvervolging, Seyss en de arbeidsinzet enzovoorts. Een nadeel daarvan is dat het leven van de hoofdfiguur versnipperd raakt en 'losgemaakt' van hoe het werkelijk was. Hij wordt een pion op een schaakbord in plaats van een compleet mens.
Belangrijker is echter dat Seyss-Inquart zelf ontoegankelijk was, schijnbaar gespeend van emoties, hoewel dat niet waar was. Hij verborg alles achter een masker van allesverstikkende vormelijkheid en gereserveerdheid. De Amerikaanse gevangenispsychiater Douglas M. Kelley, die de voormalige nazi-topman na diens arrestatie in 1945 psychisch onderzocht, typeerde hem als een 'ijzige, introverte persoonlijkheid'. Die conclusie kan vertekend zijn door Seyss' gevoel van trots. Hij wilde niet, zoals zijn prominente medegevangenen, zijn hart bij de psychiater uitstorten om maar aardig en menselijk te worden gevonden. Wel dringt zich uit deze biografie de conclusie op dat hij, buiten de privesfeer, de vorm waarin politiek werd bedreven, steeds belangrijker heeft gevonden dan de morele inhoud ervan. De schone nagels, de correcte bewoordingen, de juiste presentatie stonden voor hem model voor 'het goede' in het beleid als geheel. Dat klinkt eerder Pruisisch dan Oostenrijks-gemoedelijk, maar Seyss was een jurist, bij wie scherpzinnigheid (hij had na Hjalmar Schacht het hoogste IQ van alle in Neurenberg berechte nazi's) de best ontwikkelde eigenschap was. En hoe dun het laagje Gmietlichkeit van de Oostenrijkers is, ondervonden de joodse bewoners van Wenen meteen na de Anschluss al, toen ze onder de hoon en het spuug van hun buren werden gedwongen met een tandenborstel de straat te schrobben.
SUPERIORITEITSGEVOELDe biografie maakt ook duidelijk hoezeer Seyss' gedrag en instelling werden beinvloed door de naar bederf ruikende sfeer in Oostenrijk na de Eerste Wereldoorlog. Van het uitgestrekte, door veel volkeren bewoonde keizerrijk was een klein Duitstalig rompstaatje overgebleven. Op een kleine oppervlakte verdrongen zich plotseling enorme aantallen voormalige militairen en bestuursambtenaren die tot voor kort overal in de Donaumonarchie de dienst hadden uitgemaakt. Hun (Duitse) superioriteitsgevoel, dat zij hadden kunnen uitleven op de Slavische en Hongaarse onderdanen, had door de nederlaag een gevoelige knauw gekregen. Dat de 'inlanders', om hier een koloniale term te gebruiken, het in hun vroegere standplaatsen voor het zeggen hadden gekregen, vergrootte hun rancunes alleen maar. Ook bij Seyss en zijn vrouw Gertrud, die afkomstig waren uit een gebied dat onderdeel van de nieuwe staat Tsjechoslowakije was geworden, leefden dergelijke sentimenten. Dat op deze gevoelens van wrok een verhevigd antislavisme en antisemitisme welig konden tieren, ligt voor de hand. Ook Arthur en Gertrud deden daarin niet voor veel van hun landgenoten onder, al verhinderde zijn aangeboren vormelijkheid de opklimmende jurist die afkeer tegenover zijn vele joodse clienten te tonen.
Alle politieke stromingen in Oostenrijk ter rechterzijde van de sociaal-democraten werden in de jaren twintig en dertig gekenmerkt door tenminste een, maar meestal meer van de volgende eigenschappen: Duits-nationalistisch - in de zin van het opgaan van Oostenrijk in een groter Duitsland met een beroep op het 'romantische' idee van eenheid van Volkstum - antidemocratisch, katholiek, antisemitisch en xenofoob. Seyss-Inquart bezat ze allemaal, zijn vrouw Gertrud nog meer, alleen was zij niet katholiek (ook Seyss liet na zijn overgang tot het nazisme zijn kerkbezoek zwaar sloffen; pas kort voor zijn dood kwam hij weer met het katholicisme in het reine). ZOOTJE ONGEREGELDIn een opzicht onderscheidde Seyss-Inquart, die in 1931 lid werd van de Oostenrijkse nazipartij, zich echter van zijn politieke medestanders. Dat verschil lag nu juist in zijn gereserveerdheid en neiging tot correcte omgangsvormen. Vergeleken met hem waren verreweg de meeste hele en halve nazi's maar Radaubruder, een zootje schreeuwend ongeregeld, dat grof geweld niet schuwde en mes en vork niet uit elkaar kon houden. Vooral toen de Oostenrijkse nazi's zich na Hitlers Machtsubernahme in 1933 fel gingen roeren om op een Anschluss aan te sturen - met de verijdelde staatsgreep tegen kanselier Dollfuss in 1934 als tijdelijk hoogtepunt - viel een 'nette man' als Seyss-Inquart aangenaam op. Zowel Dollfuss als diens opvolger Von Schuschnigg zocht contact met Seyss omdat ze in hem een bemiddelaar zagen tussen rechts en extreem-rechts. De nieuwbakken politicus liet het zich allemaal graag aanleunen, al vond hij de snelheid waarmee Oostenrijk en Duitsland plotseling op elkaar afstoven, wel een beetje angstaanjagend. Ook de grofheid waarmee de Duitse nazi's de heersende elite in Oostenrijk bejegenden, stuitte hem tegen de borst. Een persoonlijke ontmoeting met Hitler veranderde echter veel. Seyss was diep van hem onder de indruk.
Van zijn kant zag Hitler heel goed dat via een 'gematigde' Seyss er meer kans was op een Anschluss zonder al te dramatische politieke, militaire en diplomatieke verwikkelingen. Seyss Inquart werd voor Hitler 'onze man in Wenen' en hij slaagde er inderdaad in de verenigingsoperatie in 1938 tot een goed einde te brengen. Sindsdien had Seyss bij Hitler een streepje voor. Nimmer zou de Fuhrer de verjaardag van Arthur en Gertrud vergeten en op recepties stevende hij altijd meteen op dat keurige echtpaar uit zijn voormalige vaderland af. Seyss reciproceerde door Hitler tot het einde van hun beider politieke loopbaan uit overtuiging trouw te blijven.
Juist omwille van zijn bewezen 'matigende' eigenschappen leek Hitler Seyss, die in 1939 was geparkeerd in een baan bij het Generalgouvernement in het zojuist veroverde Polen, in 1940 de aangewezen man om stadhouder in het zojuist veroverde Nederland te worden. Volgens Hitler waren de Nederlanders wegens hun 'stamverwantschap' wel tot het nationaal-socialisme te bekeren als ze maar op een prettige manier werden benaderd. Dat moest Seyss doen, en hij niet alleen. ' Neem uw vrouw mee, ' verordonneerde de Fuhrer, ' want u moet ervoor zorgen ook sociaal met de Nederlanders te verkeren.'
In hun kielzog vertrok een heel stel vroegere Oostenrijkers naar Den Haag, onder wie zulke illustere namen als Rauter (politie), Fischbock (geldzaken) en Wimmer (justitie). Neuman maakt aannemelijk dat Seyss-Inquart werkelijk geloofde wat Hitler hem had verteld, namelijk dat de Nederlanders onder hun ruwe bolster een nationaalsocialistische pit hadden. Hij wilde de zaken voorzichtig aanpakken en de Nederlanders zoveel mogelijk vrijheid laten om hen hun trots te laten behouden en daardoor hun hart te winnen. Van Nederland schijnt hij zelf tevoren weinig benul te hebben gehad. Maar de Rijkscommissaris zou bijleren. Van het sociale contact met de Nederlanders kwam niets terecht en Seyss en zijn staf ontdekten al spoedig dat de Nederlandse nazi's onder aanvoering van Mussert in het land geen enkele status hadden. Toen het ernaar uitzag dat Anschluss bij de Nederlanders er niet in zat, verloor Seyss tot op zekere hoogte zijn belangstelling voor de functie. Vaak was hij weken achtereen in het buitenland en Gertrud wist niet hoe dikwijls ze de benauwde veste Clingendael moest verruilen voor het vertrouwde Wenen. Juist door die frequente afwezigheid van zijn baas kon der Hohere SS-und Polizeifuhrer Rauter zijn eigen schrikbewind voeren.
ENTJUDUNGDat wil niet zeggen dat Arthur Seyss-Inquart dus als een onschuldig lam naar de galg werd geleid. Hij heeft de wandaden van Rauter altijd gedekt. Terecht heeft Neuman zich niet laten verstrikken in het ontrafelen van alle competentietwisten tussen Rijkscommissaris, Wehrmacht, SS en allerlei Duitse Dienststellen, maar benadrukt hij dat Seyss niets liet gebeuren zonder zich er tevoren of erna zonder aarzeling akkoord mee te verklaren. Van ganser harte zette hij zich in de 'Entjuding' van Nederland. Zelfs zijn weduwe Gertrud, die zich tegenover biograaf Neuman in allerlei bochten wrong om het gedrag van wijlen haar man en van haarzelf goed te praten, durfde niet keihard te verklaren Dat Seyss niet wist waar en hoe de op transport gestelde joden zouden eindigen.
Even fel en enthousiast toonde hij zich in het verzinnen van represailles tegen verzetsdaden van Nederlanders. Het was Seyss zelf die zich al in het begin van de bezetting een Oostenrijks wetsartikel herinnerde op grond waarvan hele steden wegens daden van individuen een collectieve geldstraf opgelegd konden krijgen. Hij weigerde heel vaak gratie aan terdoodveroordeelde verzetsmensen. De redenen daarvoor zette hij uiteen in de eindeloze redevoeringen die hij te pas en te onpas hield. ' Hard zijn en nog harder worden voor onszelf en voor onze tegenstanders: dat is het gebod dat ons wordt opgelegd door een onverbiddelijk verloop van noodzakelijke gebeurtenissen, ' aldus Seyss in een voor hem kenmerkende toespraak. ' Wij blijven menselijk; wij kwellen onze tegenstanders niet. Wij moeten hard zijn; wij vernietigen hen.' Een andere wraakoefening die Seyss aanvankelijk toejuichte, was het doodschieten van gijzelaars. De enige reden waarom hij ertegen was meteen grote aantallen van hen te executeren, was dat er dan later geen afschrikwekkende werking meer van zou uitgaan. Zulke zaken moest je langzaam opbouwen, vond hij. Wel selecteerdee hijzelf de namen van gijzelaars wier dood de koninklijke familie het meest zou treffen, zoals hofdignitarissen en adviseurs.
Later, voor het tribunaal in Neurenberg, hebben Seyss en zijn advocaat veel werk gemaakt van de pogingen die beklaagde later in de oorlog in het werk had gesteld om al te dra-conische orders uit Berlijn voor het confisqueren van bezit, het executeren van gijzelaars en illegalen en het deporteren van joden af te remmen. Het is aannemelijk dat Seyss niet alles daarvan heeft gelogen, al plaatst Neuman hier en daar vraagtekens. Maar waarom het gaat, is de motivatie. Seyss deed dat niet uit menselijkheid, maar uit bezorgdheid voor de gevolgen. Het zou de anti-Duitse gezindheid alleen maar aanwakkeren en het voor de Rijkscommissaris des te moeilijker maken de Nederlanders onder de duim te houden. In wezen voelde Seyss-Inquart zich in dezelfde positie als die aan de vooravond van de Anschluss, toen het hem allemaal ook te snel en te bruut ging. In zulke situaties zal hij zich een romanfiguur hebben gevoeld, gemanipuleerd door krachten buiten hemzelf waarvan hij alleen maar kon hopen dat ze het beste met hem voorhadden. Wat hij over het hoofd zag, was dat hij als tovenaars-leerling dreigde te worden meegesleurd door krachten die hijzelf had helpen oproepen. Maar nergens is uit gebleken dat hij ooit de morele waarde van die krachten in Frage heeft gesteld. Seyss was alleen 'gematigd' in de vorm, niet in de inhoud.
Zo rijst uit de biografie een beeld op van een man bij wie alle gangbare begrippen van goed en kwaad waren 'veruiterlijkt'. Heel typerend in dit verband vind ik een detail waarmee Neuman, waarschijnlijk niet toevallig, zijn hoofdstuk over de laatste maanden van de bezetting besluit. Na Seyss' arrestatie trof de rentmeester van Clingendael bij een vluchtige inspectie van de vertrekken van de Rijkscommissaris kasten vol 'ondergoed voor een manspersoon' aan. Schoon ondergoed, een fatsoenlijk mens.
