Het dubbelgezicht van Michielsgestel

Door onze redacteur FRITS GROENEVELD

Op het landgoed De Rovert bij de Belgische grens is de dood herdacht van de vijf gijzelaars Robert Baelde, Chris Bennekers, Otto van Limburg Stirum, Willem Ruys en Alexander Schimmelpenninck van der Oije. In de vroege ochtend van 15 augustus 1942 werden zij daar gefusilleerd.

DEN BOSCH, 15 AUG. “Gestel was beslist geen concentratiekamp”, zegt ex-gijzelaar H. van Run, oud-hoofdredacteur van het voormalige katholieke dagblad De Tijd. Zelfs betwijfelt hij of men wel over "kampen' mag spreken, “zo keurig was het verblijf daar, zij het dat er in het begin ook een sfeer hing van aanzienlijk onbehagen en angst”. Bijvoorbeeld doordat de commandant soms midden in de nacht dronken een aantal gijzelaars bezocht die dan het angstige vermoeden kregen gefusilleerd te zullen worden.

In Brabant is vanmorgen eer bewezen aan de vijf mannen uit het gijzelingsoord Sint Michielsgestel die vijftig jaar geleden gefusilleerd werden. Bij hun executie ging het om de Duitse reactie op een, grotendeels mislukte sabotagedaad van een verzetsgroep in Rotterdam. Zulke terechtstellingen hoorden tot het algemene Duitse vergeldingspatroon. In alle bezette gebieden zouden als vergelding voor niet opgehelderde opstandige daden communistische gijzelaars terechtgesteld worden: in de verhouding van van 50 à 100 gijzelaars voor één omgebrachte Duitse militair. In Nederland gebeurde dat niet op die schaal. De acht Gestelse gijzelaars waren namelijk geen communisten en bovendien had Nederland tijdens de oorlog geen Militärverwaltung, maar een civiele bezettingsmacht. Met gevolg dat de competentie van de Duitse Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden, luchtmacht-generaal Christiansen, heel beperkt bleef en dat rijkscommissaris Seyss-Inquart zijn eis 20 tot 50 gijzelaars te doen executeren, na een ordinaire machtsstrijd van de hand wees.

In mei 1942 hadden de bezettingsautoriteiten 460 mannen, “honderden van de bekwaamste geesten” (zoals het in het illegale Parool heette), als gijzelaars vastgezet in het katholieke kleinseminarie Beekvliet in Sint Michielsgestel bij Den Bosch. In juli volgden daarop nog eens achthonderd anderen die in het dichtbijgelegen grootseminarie in Haaren ondergebracht en een maand later nog een honderdtal dat weer in Beekvliet terecht kwam. Van de bijna 1.400 gijzelaars, zijn er volgens voorzitter M. de Nerée tot Babberich van de Stichting van oud-gijzelaars, nu nog 99 in leven. Een deel van de 1.400 heeft overigens maar heel kort vastgezeten. Sommigen werden al snel vrijgelaten omdat ze NSB-sympathisanten waren. Ook een aantal vooraanstaande industriëlen, mensen die onmisbaar werden geacht voor de oorlogseconomie, kreeg spoedig zijn vrijheid terug. Onder hen de Rotterdamse fabrikant, P.J. Lubbers, directeur van schroefboutenfabriek Hollandia. Bovendien werden in december 1942 en januari 1943 circa tweehonderd gijzelaars op vrije voeten gesteld. Haaren werd toen gesloten, terwijl het kleinere Beekvliet nog tot de bij de bevrijding van het zuiden in 1944 in bedrijf bleef.

Afgezien van de Gestelse gijzelaars hielden de Duitsers sinds oktober 1940 al bijna 350 andere gegijzelden vast, zowel Indische verlofgangers als "prominente Nederlanders'. Zij werden eerst naar de Duitse concentratiekampen Ravensbrück en Buchenwald werden gestuurd, maar later - voor het grootste deel - kwamen ze weer naar Nederland terug. Ook zaten er 750 "strafgijzelaars' en zo'n 500 politiek gegijzelden in de concentratiekampen Amersfoort, Schoorl en Vught, waar het regime heel grimmig was en velen aan de ontberingen en mishandelingen door het kamppersoneel bezweken.

De Amsterdamse politicologe, drs. Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel die kortgeleden een doctoraalscriptie over het Duitse gijzelingsbeleid schreef, concludeert daarin dat het met de hardheid daarvan nogal meeviel. Vooral als men dat vergelijkt met de manier waarop in andere bezette landen zoals Frankrijk en België als ook Tsjecho-Slowakije, gijzelaars zijn genomen en tegen hen is opgetreden. Op basis van Von Frijtags onderzoek en studies van S.E.M. Jansens en M.P.F.G. Thissen, verscheen vanmiddag het boekje, De gijzelaars van Sint Michielsgestel en Haaren. Het dubbele gezicht van hun geschiedenis van prof. J.C.H. Blom, die bij de herdenking een rede uitsprak.

Als jonge onderzoeker voelt Von Frijtag zich verplicht om afstand te nemen van de antropocentrische en puur vertellende wijze van geschiedschrijving van dr. L. de Jong. Reden waarom zij vooral de organisatie en het praktische functioneren van het Duitse bezettingsapparaat heeft bestudeerd. Evenals haar collega, geschiedenisstudent Saskia Jansens die een studie deed naar het dagelijkse leven in de "Herengevangenis' van Beekvliet en Haaren, hoort zij tot de tweede generatie van oorlogsonderzoekers. In navolging van de Amsterdamse historicus Blom die in zijn inaugurele rede in 1983 voor het eerst de "goed of fout'-geschiedschrijving onder kritiek stelde, gaat het hen niet zo zeer om reconstructie en kwalificatie van allerlei gedrag, maar meer om het verkrijgen van inzicht in en de analyse van achtergronden. De wat klinische benadering betekent echter niet dat zich van jonge onderzoekers soms ook niet grote verontwaardiging meester kan maken. “Het gaat immers om een tijd die onze ouders echt hebben meegemaakt”, zeggen zijn.

Over de Gestelse gijzelaars verscheen tot nu toe, afgezien van wat dr. L. de Jong er in zijn dertiendelige werk over schreef, slechts één wetenschappelijke monografie. De studie van Madelon de Keizer uit 1979 over Gestel als centrum van politiek-intellectueel beraad. Wat daar door leidinggevende Nederlanders werd uitgebroed, heeft er volgens De Keizer voor gezorgd dat de gijzelaarsgemeenschap na de oorlog een “kwalijke en twijfelachtige reputatie" kreeg. De oud-gijzelaars De Nerée tot Babberich en Van Run verbergen hun kwaadheid over zulke kwalificaties niet. Naar hun mening is er van samenzweerderigheid nooit sprake geweest, ook al geven zij toe dat Sint Michielsgestel zijn grootste bekendheid doordat daar in de kleine groep van mensen als Schermerhorn, Banning, Brugmans, De Quay en Algra ideeën werden uitgewisseld en ontwikkeld over de politieke en sociale structuur van Nederland na de bevrijding.

Von Frijtag en Jansens menen dat de discussies in hun kring vrij onschuldig waren: ze doen hun denken aan de jongensachtige stijl van een "Leidse jaarclub'. Dat die mannen Nederland na de oorlog voor één of twee jaar onder dictatuur wilden stellen, dat gaat er bij hen beslist niet in. Jansens concentreert zich in haar studie op het dagelijkse leven van relatief grote vrijheid en uitzonderlijke gunstige materiële omstandigheden in Sint Michielsgestel. Simon Vestdijk, een van de gijzelaars begreep dan ook niet wat de Duitsers bezielde hen “zoveel vrijheid te gunnen in het vergaren, bereiden verorberen van het eten met dat gevolg dat wij, schandelijk maar waar, rond en vet werden”. Zo kwam prof. Blom aan de titel, “Het dubbele gezicht” van zijn boekje en zijn toespraak. Dubbel in die zin dat Vestdijk, ondanks de angst die hij in Gestel had, na zijn vrijlating in 1943 kon schrijven “altijd een zekere heimwee te zullen blijven houden naar dit leven in een een besloten mannengemeenschap”.

Gepubliceerd in:
In Europa