De Spaanse Burgeroorlog: de smaak van de dood

Generaal Franco monstert zijn troepen.
Steven Adolf

In de zomer van 1936 brak de Spaanse Burgeroorlog uit. De gevolgen hiervan verdelen Spanje tot op de dag van vandaag. Dat blijkt vooral uit het werk van een nieuwe generatie Spaanse schrijvers.

In oktober presenteerden twee Spaanse schrijvers hun nieuwe boeken. De ene, de 49-jarige Manuel Rivas, maakte naam door de misdaden van het Franco-regime in zijn romans te beschrijven. De ander, de 83-jarige Manuel Fraga, begon zijn politieke carrière als minister onder Franco. Rivas’ nieuwe roman, Os libros arden mal (De boeken branden slecht), gaat dan ook over de Spaanse Burgeroorlog en de daaropvolgende fascistische dictatuur. Voor Manuel Fraga – oprichter en senator van de Spaanse conservatieve volkspartij – is in het boek een pikante rol weggelegd. Zo beschrijft Rivas hoe Fraga in 1962 als directeur van het Instituut voor politieke wetenschappen namens het Franco-regime de Duitse jurist Carl Schmitt toespreekt tijdens een eerbetoon. Schmitt had het Derde Rijk van zijn juridische grondslagen voorzien.

Fraga is nog altijd een geziene persoonlijkheid in Spanje. In zijn boek Sociedad y valores (Samenleving en waarden) laat hij zijn licht schijnen over zaken als ondernemingszin, publieke orde en de doctrine van de katholieke kerk als grondslag van de Europese beschaving. De doop van zijn boek werd opgeluisterd door de aartsconservatieve kardinaal Rouco Varela. Staat, kerk en morele waarden: even leek het er op dat de tijd stil had gestaan en je je in de laatste roman van Rivas bevond. „De ironie van het lot”, meent de laatste.

Rivas schreef eerder de – inmiddels verfilmde – roman Lapis do carpinteiro (Het timmermanspotlood) over de executie van een Republikeinse dorpsonderwijzer. In zijn nieuwste pennenvrucht beschrijft hij de boekverbrandingen van augustus 1936 in de Galicische havenstad La Coruña. Een vergeten feit. Troepen onder leiding van generaal Franco plunderden na inname van de stad de bibliotheken van vrijdenkers en Republikeinen. Naar het voorbeeld van hun Duitse kameraden werden de boeken vervolgens op brandstapels gegooid om het land aldus te zuiveren van ontaarde literatuur. In diezelfde nacht werd duizend kilometer zuidwaarts Federico García Lorca in Granada vermoord door de fascisten.

„Het ongenoegen in onze huidige cultuur is een sterke onderstroom”, aldus verklaart Manuel Rivas de neiging om het verleden scherper tegen het licht te houden. „In Spanje liggen nog steeds naar schatting dertigduizend Republikeinse slachtoffers in massagraven. Een dichter uit mijn regio Galicië heeft eens gezegd dat ons brood de smaak van doden heeft.”

Daarnaast bestaat er een enorme leemte in de kennis van de Spaanse jeugd over hun eigen verleden. Het geschiedenisonderwijs houdt op bij de Franse Revolutie, zo verklaart Rivas. Het idee dat de literatuur als didactisch instrument kan dienen staat hem niet direct aan. „Maar ik denk dat jonge lezers in mijn boek wel informatie krijgen die elders niet te vinden is.”

De vrijheid moet worden benut om antwoord te krijgen op alle onbesproken vragen. De dictatuur was volgens Rivas een voortzetting van de oorlog met andere middelen die er voor zorgde dat het geweld en de onderdrukking altijd als een schaduw boven de samenleving zijn blijven hangen. Voor het onderzoek van zijn boek sprak hij met een man die na zeventig jaar nog steeds bang was om zijn verhaal te vertellen. De schaduw van de oorlog is lang en donker. Rivas: „De angst zit in onze genen.”

Javier Cercas (45) schreef vijf jaar

geleden een onverwachte bestseller met zijn roman Soldados de Salamina (Soldaten van Salamis), waarin hij de speurtocht beschrijft naar de Republikeinse soldaat die de schrijver Rafael Sánchez Mazas – ooit een belangrijk ideoloog van het Spaanse fascisme – redde van een wisse dood voor een peloton terugtrekkende Republikeinse soldaten. Het boek brengt niet alleen de half miljoen Spanjaarden in herinnering die voor het fascisme naar Frankrijk vluchtten, maar biedt ook erkenning aan al die Republikeinse strijders die na de Burgeroorlog in de vergeethoek van de Spaanse geschiedenis terechtkwamen.

Zelfs het Spaanse kinderboek ontkomt niet aan de huidige rage. Fernando Marías won eerder dit jaar de Anaya-prijs voor jeugdliteratuur met zijn boek Cielo abajo (De hemel van onder), dat de aanval door het leger van Franco op de hoofdstad Madrid in 1936 beschrijft. De Spaanse jeugd moet de waarheid kennen, zo verklaarde Marías voor de radio toen hij de prijs had gewonnen. „Ik wil hen duidelijk maken dat het een leugen is als mensen zeggen dat de oorlog onvermijdelijk was en de redding betekende van een veel erger kwaad. Het was een staatsgreep tegen een legitiem gekozen regering.”

In Spanje bestaat dus nog onverminderd de behoefte om de strijd tegen het fascisme uit te leggen en te rechtvaardigen. Dat is minder verbazingwekkend dan het lijkt. Anders dan in Italië, laat staan Duitsland, dragen veel pleinen en straten in Spanje de naam van fascistische generaals. Het conservatieve deel van de natie protesteert nog altijd luidruchtig als er een ruiterstandbeeld van Franco verdwijnt. Het vernietigen van een stukje vaderlandse geschiedenis, zo heet het dan. Het nodeloos openrijten van oude wonden.

De Spaanse Burgeroorlog was al onmiddellijk na afloop ervan een geliefd onderwerp in de literatuur. Maar dan vooral in het buitenland, waar schrijvers als Hemingway en Orwell de krijg tussen Republikeinen en fascisten beschreven als opmaat tot de Tweede Wereldoorlog en als eerste test van de strijd tegen het kwaad dat Europa bedreigde. Spanje zelf kampte met het probleem dat de foute partij de oorlog had gewonnen en nu de geschiedenis vanuit tegengesteld perspectief verklaarde. De Burgeroorlog was een strijd geweest tegen de ‘Roden’ – dankzij Franco was het communisme in Europa een halt toe geroepen. Toen de dictatuur met het overlijden van de generaal in 1975 het veld ruimde werden de Burgeroorlog en de nasleep ervan tot taboe verklaard. Een pact tussen links en rechts besloot geen bijltjesdag te eisen voor de misdaden begaan tijdens de Burgeroorlog en de bijna veertig jaar dictatuur die er op volgde. Spanje moest werken aan zijn democratische toekomst, zo was de gedachte. Massale berechting leidde tot niets. Bovendien hadden zowel links als rechts zich schuldig gemaakt aan misdaden. Politici, officieren, de katholieke kerk, rechters, intellectuelen en schrijvers: niemand hoefde verantwoording af te leggen. Veel leden van het oude regime als Manuel Fraga schudden de huid van de dictatuur af en toonden zich loyale aanhangers van de nieuwe democratie.

Het nieuwtje dat María Aznar in zijn jeugd nog een vlammende protestbrief naar een krant had geschreven waarin hij pleitte voor de terugkeer naar de oorsprong van het Spaanse fascisme zorgde amper voor beroering en stond een premierschap niet in de weg. In literaire kring was dat niet anders: een officiële bekering tot democraat gold als voldoende aflaat. Er is geen enkel geval bekend van een schrijver die zich na de ineenstorting van de dictatuur schuldig maakte aan zelfkritiek over collaboratie met het regime.

De meeste schrijvers uit deze periode zijn inmiddels dood en begraven. Het bleef dan ook opmerkelijk stil in Spanje na de recente bekentenissen van Günther Grass over zijn SS-lidmaatschap aan het eind van de oorlog. Aan het postuur van de lijken in de kast kon dat niet liggen: Nobelprijswinnaar Camilo José Cela verdiende jaren de kost als censor van het regime, terwijl de eveneens bejubelde schrijver Torrente Ballaster zich na de Burgeroorlog een enthousiast aanhanger van de nieuwe orde betuigde.

„Duitsland had zijn holocaust, Frankrijk zijn Vichy-syndroom. Wat Spanje anders maakt is dat het een burgeroorlog uitvocht’’, meent historicus en schrijver Santos Juliá, die naam maakte met een studie over de twee Spanjes. In de Burgeroorlog bevond de tegenstander zich binnen dezelfde steden, dorpen en families, aldus Juliá. De vijand was vaak akelig dichtbij. „Een burgeroorlog is een strijd op leven en dood. En daarbij hebben beide kanten zich schuldig gemaakt aan wreedheden en misdaden’’, zo verkaart hij de complexe verhouding met het verleden.

De broederstrijd is nog onverminderd van belang voor wie het huidige Spanje wil begrijpen, maar gold lange tijd als een zaak waar een maatschappelijk debat over gemeden diende te worden. Voor buitenlanders had dat soms een vervreemdend effect. Zo maakte de naoorlogse schrijver Jorge Semprún van zijn ervaringen in het concentratiekamp Buchenwald en de illegale communistische studentenbeweging een terugkerend thema in zijn boeken. Maar ondanks dat Semprún onder het socialistische premierschap van Felipe González drie jaar lang minister van Cultuur was, leidde het vaak schokkende thema tot geen enkele ophef.

Net als Semprún was ook schrijver Fernando Sánchez Drago (70) betrokken bij de studentenbeweging die in 1956 een opstand tegen het regime van Franco organiseerde. Sánchez Drago’s arrestatie in de dagen van de studentenopstand was aanleiding voor het schrijven van zijn juist uitgekomen laatste boek Muertas paralelas (Parallelle doden), zo vertelt hij in zijn huis in de Madrileense binnenstad. Het beschrijft de speurtocht naar de omstandigheden waaronder zijn 26-jarige vader in 1936 door de fascisten werd gefusilleerd. Negentien dagen na de moord op zijn vader werd Fernando geboren. „Ik ben wat je noemt een oorlogswees’’, zegt hij.

In het geval van

Sánchez Drago krijgt de morele verwarring van de Spaanse Burgeroorlog wel een zeer persoonlijke invulling. „Toen ik in 1956 werd gearresteerd schreeuwde een bekende politiecommissaris me toe dat ik een klootzak was die zeker wraak wilde nemen voor de dood van zijn vader. Ik stond versteld: tot dan toe had ik altijd gedacht dat mijn vader door de Republikeinen was doodgeschoten.’’ Sánchez Drago groeide immers op in een franquistische familie waar de Republikeinen als de foute partij golden. Zijn studentenflirt met het communisme en de betrokkenheid bij de anti-Francobeweging staan niet in de weg dat Sánchez Drago net als de meeste schrijvers van zijn generatie een ambigue houding heeft tegenover het verleden „Wij zijn allen zowel schuldigen als slachtoffers”, zo verklaart hij „Ik beklaag me dat ik als een Spanjaard ben geboren. ‘’

Ook historicus Santos Julia (66) betwijfelt het nut van het zoeken van schuldigen. Een morele afrekening staat volgens hem zelfs een beter begrip in de weg. Neem het geval van de schrijver Dionisio Ridruejo, een overtuigd fascist, die echter samen met Sánchez Drago werd opgepakt tijdens de studentenrellen in 1956 en zich tot democraat bekeerde. „Ridruejo gold later als een nieuwe liberaal. Wie probeert de biografieën van deze schrijvers samen te stellen heeft weinig aan morele kwalificaties. En daarnaast: wie werpt zich op als rechter?”

Een nieuwe generatie lijkt echter minder moeite te hebben met het eisen van een afrekening. „Het is onvermijdelijk dat iedere nieuwe generatie zijn eigen manier heeft om de zaken tegen het licht te houden”, meent Juliá. „De generatie van de transitie naar de democratie was meer gericht op verzoening. Met de nieuwe lichting lijkt de toon van tijdens de Burgeroorlog weer terug te zijn gekeerd.”

Chronologie

17 juli 1936. Een groep generaals komt in opstand tegen de linkse Volksfrontregering van de Republiek Spanje. Hitler en Mussolini steunen de nationalisten, Stalin de Republiek.

Oktober 1936. Franco krijgt de absolute macht bij de nationalisten.

November 1936. Eerste slag om Madrid. De Internationale Brigades betreden het strijdtoneel.

26 april 1937. Duitse vliegtuigen bombarderen de stad Guernica.

27 februari 1939. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk erkennen Franco.

28 maart 1939. De nationalisten veroveren Madrid.

1 april 1939. Einde van de Burgeroorlog. De Verenigde Staten erkennen Franco.

Het totale aantal doden bedraagt ongeveer 500.000.

20 november 1975. Dood van Franco.

Gepubliceerd in:
In Europa