Che, Part One
De sigaar. De baard. De baret. De wilskrachtige blik, met een zweem van melancholie.
Che, Part One begint als een gewone biografische film: de held in extreme close-up. Ga er maar voor zitten, is de belofte, straks leert u de mens achter de sigaar kennen. Commandante Che Guevara, op miljoenen posters en T-shirt vereeuwigd, symbool van een rebelse en veeleisende generatie. Zegevierend in Cuba in 1959, voor ons gestorven in Bolivia in 1967.
Trailer van Che:
Maar het is meteen de laatste close-up die regisseur Steven Soderbergh de held gunt: vanaf nu bekijken we Che van een afstand. Che breekt niet alleen daarin ruw met de regels van het biografische genre. Normaal ontmoeten we de held op een hoogtepunt van zijn leven en keren terug, liefst naar een traumatisch jeugdincident. Waarna opkomst, worsteling met zijn innerlijke demonen, apotheose of ondergang volgen. De balans van een leven is opgemaakt, alles is verklaard.
Maar Che onthoudt zich van een oordeel, verklaart niet; hij dompelt de kijker domweg onder in een leven van actie. De focus ligt op twee guerrillacampagnes, de Cubaanse triomf van 1959 en het Boliviaanse debacle van 1967.
Regisseur Steven Soderbergh wisselt al jaren zijige megaproducties als Ocean’s 11,12 en 13 af met weerbarstige experimenten. Vorig jaar was Che te zien in zijn volle omvang van vierenhalf uur, voor de bioscoop is hij in twee delen gehakt. Daarbij gaat iets verloren: zonder de Cubaanse zege vers in het geheugen komt de tragiek minder hard aan. De delen spiegelen elkaar, vormen een doorlopende spanningsboog: omhoog richting overwinning, omlaag richting dood. Nu hebben we een feelgood- en een feelbadfilm.
We ontmoeten Che Guevara in 1964, als de Varkensbaai-invasie en de raketcrisis achter de rug zijn en revolutionair Cuba een stabiele factor op het wereldtoneel dreigt te worden. Che is in New York om bij de VN het Amerikaanse imperialisme te geselen en zich de vrijages van linksige rijken en groupies te laten welgevallen. Niet in zijn element, een beetje droevig. Of hij make-up wil, vragen ze in de tv-studio. Nee, glimlacht Che. Of toch, misschien een beetje poeder. Heel even een glimp van pose achter de revolutionair.
Dan zijn we plots in Mexico-Stad, juli 1955, waar Fidel Castro zijn marxistische tafelgenoten betovert met statistieken en Che ronselt voor zijn revolutie. Met 82 revolutionairen in de Granma op zee, richting Cuba. In de jungle met Che, astmatisch piepend op de vlucht. En dan wordt het twee uur lang tenten opzetten, foerageren, koken, rekruteren, ruziemaken, schermutselen, manoeuvreren, marcheren, trainen, deserteurs executeren, vluchten en aanvallen. Scènes uit een guerrilla.
Soderbergh negeert haast arrogant de geijkte diepte- en hoogtepunten van het Cubaanse avontuur. Het hopeloze begin, als de Granma op een zandbank strandt, 82 zeezieke revolutionairen drie dagen door het moeras dwalen en in de pan worden gehakt: slechts twaalf ontsnappen. Het hoogtepunt, als de baardige rebellen als helden Havana binnen rijden. Maar nee, we beginnen met een verdwaalde Che en eindigen op weg naar Havana, als Che zijn feestende mannen bits disciplineert. Geen dramatisch begin, geen grote finale, maar één doorlopend middenstuk.
Dat gebrek aan hechte verhaallijn is fascinerend, geeft Che urgentie en authenticiteit. Je ziet de Cubaanse opstand organisch groeien, zonder allesbeslissende keerpunten. Che’s opmars binnen de rangen, van dokter tot commandant, verloopt even geleidelijk. Zelfs zijn cruciale bestorming van de stad Santa Clara is geen paukenslag, maar een stroom vermoeiende details en kleine stapjes. Zo moeten Che’s mannen om twee scherpschutters in een kerktoren te neutraliseren eerst vijf huismuren slopen met een voorhamer. Dat komt allemaal in beeld.
Soderbergh laat zich in Che kennen als regisseur die eerder gefascineerd is door proces dan door plot of karakter. Het proces van film maken liep in dit geval parallel met de film: Che werd in de bossen door Soderbergh geschoten met vederlichte schoudercamera’s. Hij filmt eerder sereen dan hectisch.
Benicio del Toro is een prachtige Che: hij lijkt op hem, deelt zijn zwaarmoedig charisma. Met Del Toro, fan van Che en aanjager van het project, dreigde dweperigheid. Soderbergh’s afstandelijkheid vormt een effectief tegengif. Hij staat niet toe dat Che knuffelbaar wordt: het origineel was hard, streng en afstandelijk. Che domineert, juist omdat hem geen close-ups worden gegund: je zoekt tussen de baarden steeds onwillekeurig naar de zijne.
