Disgrace

John Malkovich in een scène uit de film <i>Disgrace</i>.
Door Peter de Bruijn

Vreemd dat twee uitgesproken stadsmensen zoals zijn ex-vrouw en hij een dochter hebben voortgebracht die is neergestreken op het platteland, denkt David Lurie, de hoofdpersoon van de roman Disgrace van de Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee. „Maar misschien waren zij het niet geweest die haar hadden voortgebracht: misschien had de geschiedenis een groter aandeel gehad.”

Trailer van Disgrace:

Dochter Lucy bestiert een boerderij op de Westkaap, waar ze honden verzorgt en haar eigen groenten verbouwt. Ze leeft alleen, wat gevaarlijk is in dit straatarme deel van Zuid-Afrika. David doceert literatuur aan de universiteit van Kaapstad, maar raakt zijn baan kwijt als een affaire met een studente uitkomt en hij weigert om publiekelijk door het stof te gaan. Hij is niet zozeer een product van de geschiedenis, als wel van de literatuur. Met zijn hoofd vol romantische poëzie van Wordsworth en Byron heeft hij buitengewoon weinig verweer tegen de geschiedenis, die in Zuid-Afrika niet buiten de deur te houden is.

De Australische regisseur Steve Jacobs heeft Coetzee’s meesterwerk dienstbaar en nauwkeurig verfilmd, met voortreffelijk resultaat. Wel is een deel van de schaal en de ambitie van de roman verloren gegaan. Jacobs heeft kamermuziek gemaakt van Coetzee’s roman; een allegorie van de tragische situatie van Zuid-Afrika na de apartheid. De film is intiemer, kleiner en minder afstandelijk dan het boek, maar zeker niet minder aangrijpend.

Jacobs, die zelf acteert (dit is zijn tweede film als regisseur), weet uitstekend spel aan zijn acteurs te ontlokken. Met zijn lijzige stem en merkwaardige gezicht komt John Malkovich soms gemaniëreerd over voordat hij ook maar iets heeft gedaan. Maar hier speelt hij met grote inzet en ernst. De onbekende Jessica Haines is als Lucy volledig aan hem gewaagd.

Als David op bezoek is bij Lucy, wordt haar boerderij overvallen door drie zwarte jongens. Hij loopt hoofdletsel en brandwonden op, zij wordt herhaaldelijk verkracht. Maar Lucy doet alleen aangifte van wat er gestolen is, niet van verkrachting. David begrijpt daar niets van, net zoals hij niet kan begrijpen dat, als een van de daders weer opduikt, Lucy hem ongemoeid wil laten.

Wat bezielt haar? David vreest dat ze gebukt gaat onder blank schuldgevoel – alsof ze de verkrachting bijna als haar verdiende loon beschouwt voor het historische onrecht dat de zwarten is aangedaan onder de apartheid; een vorm van witte, elitaire zelfhaat waar Geert Wilders wel raad mee zou weten. Toch zit het anders. Lucy begrijpt veel beter dan haar vader in wat voor land ze inmiddels leeft. Justitie en politie hebben waar ze leeft geen enkele betekenis. Om zich staande te houden, zal ze zich moeten voegen in het sociale systeem. En dat betekent dat ze de daders ongemoeid moet laten. Ze heeft geen andere keus dan te integreren in onrecht – of ze zal moeten vertrekken.

Alleen door collectieve vergeetachtigheid is er iets wat lijkt op vrede en orde te herstellen. „Het is slecht wat er is gebeurd, maar het is voorbij”, zegt de zwarte buurman, Petrus, tegen David. Petrus is een betere kandidaat om een beschermende, vaderlijke hand naar Lucy uit te steken dan haar vader, die verdwaald is in zijn eigen land.

Dat daardoor groot onrecht onbestraft blijft, is de onvermijdelijke prijs die moet worden betaald. Dat inzicht maakt de pil voor Lucy uiteraard niet minder bitter. Haar situatie, en die van haar land, is tragisch. Maar David beseft dat, met al zijn kennis van de schone letteren, pas heel laat. „Het is vernederend. Een leven als een hond”, roept hij wanhopig, met een stille verwijzing naar de slotzin van Het proces van Kafka. Lucy kan dat alleen maar beamen, maar een ander leven is er niet.

Gepubliceerd in:
film
Filmarchief