Na zeven vette jaren is de wereld anders geworden
Het paarse tijdperk begon op 22 augustus 1994 en lijkt te eindigen op 11 september 2001. Hoe zeven vette jaren voorbijgingen.
Het is zo'n zin die klinkt als uit een sprookje. 'Zeven jaren gingen voorbij.' Zeven, geluksgetal. Zeven, bijbels getal, als 'teken van de volheid' – van 'vol' in de betekenis van 'vervuld zijn'. Het was onderkoning Jozef die zeven vette jaren aangreep om de graanschuren van Egypte tot de nok toe te vullen. Het was Jezus van Nazareth die zeven kruiswoorden sprak, met als laatste het zwaar beladen 'Het is volbracht' - woorden die de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport afgelopen voorjaar nog zo pijnlijk losjes citeerde.Het paarse tijdperk begon op 22 augustus 1994 op de trappen van paleis Huis ten Bosch. Zeven jaar hebben de paarse partners nu geregeerd - en ze hebben hun langste tijd gehad. Het tijdperk van twee kabinetten-Kok verkeert onmiskenbaar in zijn nadagen. De premier zelf verlaat de actieve Nederlandse politiek. Zijn kabinet heeft vandaag z'n laatste volwaardige begroting ingediend. De toonzetting is bezorgd, bij de haperende wereldeconomie. Daar bovenop komt de doem van 11 september 2001. ,Deze aanslagen tegen de menselijkheid doen ons beseffen hoe kwetsbaar ons aller bestaan is'', zei koningin Beatrix vanmiddag in de Troonrede. ,,De wereld is echt anders nu'', oordeelt de minister-president.
Zeven vette jaren gingen voorbij. De bevolking is gegroeid sindsdien, met 700.000 personen, van wie een derde deel asielzoekers en andere migranten. Het nationale inkomen is sinds 1995 met circa 25 procent gestegen. Bijna anderhalf miljoen mensen extra hebben betaald werk gevonden, bovenop de 5,5 miljoen die in 1995 werkten. Huizenbezitters hebben, gemiddeld genomen, ruim 70 procent meer hypotheekschuld op zich geladen. De gemiddelde leeftijd van de vergrijzende bevolking is sinds 1995 met ruim een jaar gestegen. Ouderen worden ouder, waarbij overigens vooral het aantal jaren stijgt waarin zij moeten leven met ziekte en verzwakking. Nederlanders leven niet alleen langer, ze bewegen zich ook intensiever - per auto, trein en vliegtuig wel te verstaan. Circa 6,5 miljoen auto's rijden nu in Nederland rond: 10 procent meer dan in 1995. De stijging van het aantal afgelegde 'reizigerskilometers' beloopt een veelvoud van dit percentage.
Ziedaar, in grove penseelstreek, het volk dat de paarse coalitie te regeren had. Hoe het haar verging? Het uitbeitelen van een plek in de politieke geschiedenis kan stilaan beginnen.
Kabinetsperiodes staan doorgaans symbool voor een tijdperk. De generatie van (bijna-)vijftig en ouder gloeit nog na van de als turbulent beleefde jaren 'onder Den Uyl' (1973-1977). Het was een kabinet van grote woorden met uiterst beperkte financiële armslag. Het kon moeilijk verkroppen dat de wereldeconomie zich niet naar zijn blinde maatschappelijke ambities voegde. De economische recessie, eind 1973 uitgebroken door de Arabische olieboycot, leidde pas vanaf 1976 tot halfslachtig uitgevoerd saneringsbeleid. Een onbetaalbaar grote collectieve sector moest 'zwakkeren' beschermen, terwijl de markteconomie intussen zijn verwoestende werk deed in de textielindustrie, in de metaalsector en in de scheepsbouw.
Tien jaar lang duurden recessie en laagconjunctuur, tot omstreeks 1983. Een luchthartig kabinet onder leiding van CDA'er Van Agt (wijn) en VVD'er Wiegel (sigaren) beloofde krachtig te saneren tussen 1977 en 1981. Werkloosheid en staatsschuld bleven niettemin met honderdduizenden en tientallen miljarden oplopen.
Opvolger Lubbers (ook CDA) erfde eind 1982 een financieringstekort van 6,6 procent (teruggerekend naar de huidige Europese normen). Pas in 1991 was het goed en wel gehalveerd, waarna het - bij opnieuw inzakkende economie - weer begon op te lopen. De curve in de werkloosheidscijfers, begin jaren tachtig nog op weg naar het miljoen, werd in de tweede helft van het decennium neerwaarts bijgebogen. Maar wat hielp het? Tegelijk schoot het aantal mensen met een WAO-uitkering als een komeet omhoog, ook richting het miljoen.
En toen opeens, na een electorale aardverschuiving bij de verkiezingen van mei 1994 (CDA min 20 zetels, PvdA min 12), stond er een paars kabinet met een PvdA-premier en zonder CDA-bewindslieden bij Majesteit op de trap. De nieuwe premier bezwoer dat hij 'een gewoon kabinet' had geformeerd, wars van de gezwollen antichristen-democratische woorden die in de kring van de kleinste coalitiepartner (D66) opklonken. Inmiddels zeven jaar later kan voorzichtig worden vastgesteld hoe gewoon of ongewoon de paarse jaren zijn geweest.
De eerste constatering moet zijn dat Nederland sinds 1994 een periode van ongekende economische groei heeft doorgemaakt. Negentien kwartalen achtereen, te beginnen in 1996, heeft de groei boven de 3 procent gelegen. Het zijn stabiel hoge groeipercentages die sinds de jaren vijftig van de wederopbouw niet meer zijn vertoond.
Maar wat zeggen cijfers? Is het geluk of wijsheid geweest voor de paarse partners? Ter relativering valt aan te voeren dat de groei vooral te danken is aan de hoogconjunctuur in de Verenigde Staten die vrijwel steeds een half procentpunt boven de Nederlandse stijging heeft gelegen. Maar hoe valt vervolgens te verklaren dat Nederland wel op de golven van dit succes is meegespoeld, terwijl de gemiddelde groei in de Europese Unie, vooral in de periode 1996-1999, ver is achtergebleven bij de Amerikaanse en Nederlandse ontwikkeling?
De kluwen van autonome economische ontwikkeling en politieke beïnvloeding daarvan laat zich moeilijk ontwarren. Eenvoudiger oordelen zijn te vellen over de overheidsboekhouding als zodanig. De paarse partners zullen, zowel dezer dagen rondom prinsjesdag als straks in de verkiezingsstrijd, krachtig uitdragen dat ze knappe kassiers zijn geweest. Aan bijna dertig jaar van begrotingstekorten en (dus) oplopende staatsschuld is in het jaar 2000 een einde gekomen. De schuld als percentage van het nationale inkomen zakt volgend jaar voor het eerst sinds 1980 onder de 50 procent (tot naar verwachting 47,7 procent), nadat deze zogenoemde staatsschuldquote in 1994 nog bijna 80 procent beliep. De rentebetalingen ter aflossing van de nationale schuld zijn onder Paars I met 3,5 procent en onder Paars II met 8,25 procent gedaald. Burgers en bedrijven betalen, afgezet tegen 1995, ruim 13 miljard gulden minder belasting en premies: een daling van de collectieve lastendruk met bijna 10 procent.
Het zijn cijfers, kille cijfers. De hoon uit oppositiekring heeft de afgelopen jaren vaak en krachtig geklonken: 'private rijkdom, publieke armoede'! Maar ook hier valt een getalsmatige verdedigingslinie op te trekken. De uitgaven voor onderwijs lopen redelijk in de pas met de algemene economische groei: plus 25 procent sinds 1995. Het budget voor de zorgsector is sterker gestegen: plus 30 procent. Voor veiligheid (politie, justitie) en stadsvernieuwing is 60 procent extra uitgetrokken. De investeringen in infrastructuur zijn met 70 procent toegenomen.
Heeft, kortom, een dankbaar volk hulde te brengen aan zijn regering? Er zijn redenen aan te voeren voor een gematigder stemming. Die redenen liggen niet zozeer op economisch als wel op bestuurskundig en bedrijfsmatig terrein. Niet de miljarden die in de publieke sector zijn gepompt vormen het probleem. De centrale vraag luidt: wat is eruit gekomen? Wat is, zakelijk bezien, het maatschappelijk rendement op het geïnvesteerd vermogen?
Vele tienduizenden patiënten wachten maanden tot soms zelfs ruim een jaar langer op medische behandeling dan zeven jaar geleden. De 'pakkans' na het plegen van delicten is gedaald. In Nederlandse scholen staat, internationaal vergeleken, een schamel allegaartje van computers. Opvangcentra voor asielzoekers zitten overvol en procedures voor toelating blijven hardnekkig lang duren. Het aantal arbeidsongeschikten neemt nog ieder kwartaal toe, de investering van vele miljarden in 'activerend arbeidsmarktbeleid' ten spijt. En de treinen - willen de treinen nu eindelijk eens op tijd rijden?
Het lijkt alsof de overheid haar rol elk decennium opnieuw moet uitvinden. De jaren zeventig van de vorige eeuw moesten 'maakbaar' zijn. Saneringsgolven binnen een 'terugtredende overheid' volgden in de jaren tachtig. Marktwerking en liberalisering moesten 'nieuwe dynamiek' brengen in de jaren negentig. En nu, in deze nog betrekkelijk jonge 'jaren nul', meet de overheid zichzelf een rol aan als notaris en accountant. De vandaag voor het eerst in euro's opgestelde Rijksbegroting bevat nog een noviteit: de bewindslieden formuleren voortaan 'meetbare doelstellingen', ze binden zichzelf aan te leveren 'prestaties', ze sluiten daartoe zo nodig 'contracten' af met marktpartijen en maatschappelijke organisaties en ze leggen tegenover het parlement 'verantwoording' af over bereikte resultaten.
In ambtelijke verkenningen voor de volgende kabinetsperiode is onlangs het '4R-model' ten tonele verschenen, wat staat voor 'richting, ruimte, resultaat en rekenschap'. Hier ontpopt zich een geheel nieuwe overheid in slechts vier woorden - een overheid die wil leveren à la carte en wenst af te rekenen bij de kassa. Want: ,,Mondige burgers hebben steeds meer behoefte aan keuzevrijheid, kwaliteit en maatwerk'', sprak de Koningin vanmiddag namens de regering.
Het mag het samenvattend motto heten van een links-liberale coalitie na zeven jaar regeren in hoogconjunctuur - in jaren waarin de wereld echt anders was.
