Artikel 23 Grondwet: Het geven van onderwijs is vrij

Door onze redactie onderwijs

ROTTERDAM, 30 NOV. De staat bepaalt niet de inhoud van het onderwijs. Dat is de kern van de Nederlandse vrijheid van onderwijs zoals in 1917 werd vastgelegd in de onderwijsclassificatie.

Na de invoering van de leerplicht in 1900 werd de toen al decennia woedende schoolstrijd steeds feller. Die strijd ging tussen liberale voorstanders van de staatsschool en christenen die wilden dat ook hun scholen door de staat werden bekostigd, maar niet in het programma werden bepaald. Door de leerplicht verscherpte de strijd, omdat het onderwijs van staatswege verplicht werd gesteld, maar tegelijkertijd de christelijke scholen onvoldoende middelen hadden om deugdelijk onderwijs te kunnen bieden; dit terwijl de christenen evengoed belasting betaalden aan de staat.

Omdat de derde belangrijke politieke stroming van dat moment - de sociaal-democraten - ook weinig voelden voor een kapitalistische staatsschool, kon in 1917 de schoolstrijd worden beslecht in het voordeel van de volledig gesubsidieerde particuliere school - het bijzonder onderwijs - dat gelijk berechtigd werd met het openbare - het staatsonderwijs.

Het huidige artikel 23 van de Grondwet is in vrijwel dezelfde bewoordingen gesteld als in 1917 is vastgelegd. Het was toen een historisch compromis waarbij ook het algemeen kiesrecht in de Grondwet werd ingevoerd. In ruil voor subsidie mag de staat sindsdien aan scholen alleen eisen van deugdelijkheid stellen: grotote van de lokalen, opleiding van de leerkrachten en dergelijke. Openbare en bijzondere scholen krijgen evenveel geld. Zo streng is deze gelijkberechtiging zelfs, dat wanneer het gemeentebestuur, dat als bestuur van de openbare school fungeert, extra geld aan de school wil spenderen, zij hetzelfde bedrag aan iedere bijzondere school in haar gemeente moet geven. Dit om te voorkomen dat de overheid haar eigen school bevoordeelt.

De Onderwijsraad werd kort na 1917 opgericht om in haar adviezen over alle onderwijsmaatregelen van de staat deze gelijkberechtiging te bewaken. Het gevolg van de gelijkheid was dat het typische Nederlandse zuilenstelsel het onderwijs ging beheersen. Alle protestantse scholen bijvoorbeeld organiseerden zich in een koepel waarin alle geledingen van de school - het personeel, bestuur en kerken -samenwerkten. En bij de katholieken ging dat al net zo. Alle veranderingen in de onderwijspolitiek komen sindsdien pas tot stand na lang overleg met de koepels, waarbij de openbare koepel - de Vereniging van Nederlandse Gemeenten - een wat ongemakkelijke rol heeft.

Volgens het ministerie van onderwijs waren er op 1 augustus van dit jaar 2.963 openbare en 4.902 bijzondere basisscholen. Daarvan zijn ongeveer vierduizend protestants-christelijke en katholieke scholen, maar bijvoorbeeld ook 76 vrije scholen, 29 islamitische scholen, 3 hindoescholen, 2 joodse scholen, en 1 basisschool van de evangelische broedergemeente. Van de 801 middelbare scholen zijn er 618 niet openbaar. Er zijn 182 openbare scholen voor voortgezet onderwijs, en 1 'samenwerkingsschool' die openbaar én katholiek is.

Het in 1917 gevestigde non-interventieprincipe van de staat in het onderwijs is sinds de jaren vijftig aan erosie onderhevig met de zogenaamde constructieve onderwijspolitiek die vooral onder Van Kemenade in de jaren zeventig een belangrijke politieke rol speelde. Altijd met toestemming van de koepels en van de Onderwijsraad zijn sindsdien veel wetten tot stand gekomen die wel degelijk diep ingrijpen in de dagelijkse gang van zaken in de klas.

Het huidige paarse kabinet heeft hier de grote irritatie aan toegevoegd dat het oude centrale overleg met de koepels werd vervangen door een veel verbrokkelder overlegstructuur waarin de koepels niet meer als eenheid kunnen optreden. Opmerkelijk bij de veranderingen van de laatste jaren is dat bij discussies in de Tweede Kamer de bestaansgrond van het grondwetartikel 23 nooit werkelijk aan de orde is gesteld. De strijd ging altijd om de interpretatie, niet om de formulering. Bij deze strijd waren PvdA, VVD en D66 het rekkelijkst. Het CDA was meestal sterk verdeeld tussen een vooruitstrevende stroming, die meestal nauw verbonden was met christen-democratische gemeentebesturen, en een behoudende stroming die meestal sterk verbonden was met allerlei koepelorganisaties.