Rouwpoëzie

Frits Abrahams

Nadat ik onlangs over rouw(advertentie)poëzie had geschreven, kreeg ik een reactie van een lezeres, Monique van der Tang, die me attent maakte op een Engels gedicht. Zij had het jaren geleden in de Volkskrant aangetroffen en er een vertaling van gemaakt voor de begrafenis van haar vader in 1996. Zo kon ook haar moeder, die geen Engels sprak, het begrijpen.

Het gedicht trof ook mij, en omdat ik het zelfs in deze Boekenweek in geen enkele nieuwe bloemlezing met doodsgedichten aantrof, laat ik het hier volgen.

Do not stand at my grave and weep;
I am not there. I do not sleep.
I am a thousand winds that blow.
I am the diamond glints on snow.
I am the sunlight on ripened grain.
I am the gentle autumn's rain.
When you awaken in the morning's hush,
I am the swift uplifting rush
Of quiet birds in circled flight.
I am the soft stars that shine at night.
Do not stand at my grave and cry:
I am not there, I did not die.

Dit is de vertaling van Monique van der Tang:

Sta maar niet aan mijn graf te wenen;
Ik rust daar niet, ik ben al henen.
Ik ben de gouden gloed op het koren.
Ik ben de dauw in het ochtendgloren.
Ik ben de wind al waar hij waait.
Ik ben de sneeuw die diamanten zaait.
En als je 's ochtends wakker wordt,
ben ik de fluister die je hoort
van vogels in hun cirkelvlucht,
zwijgend in de morgenlucht.
Ik ben de ster die je ziet staan,
Ik ben de zon, ik ben de maan.
Huil je ogen maar niet rood;
Ik rust daar niet, ik ben niet dood.

Over de herkomst van dit troostende gedicht bestaat onduidelijkheid. In Engeland werd het razend populair toen de Daily Mail het in 1989 voor het eerst publiceerde. Het was gevonden in een envelop, achtergelaten door een jonge Engelse soldaat, Stephen Cummins, die in 1989 omkwam toen zijn auto in Londonderry door een mijn werd opgeblazen. Zijn vader las het voor op de BBC-tv, waarna het een van de meest geliefde gedichten in Engeland werd.

Ook in Amerika maakte het opgang. Het werd gebruikt bij herdenkingsdiensten voor Marilyn Monroe en de verongelukte astronauten van de Challenger. Maar wie had het geschreven? Dat werd de kwestie.

Cummins zelf? Onwaarschijnlijk. In Amerika werd beweerd dat ene Mary E. Frye, een amateur-dichteres uit Baltimore, het al meer dan vijftig jaar geleden had geschreven. Ik heb van haar een versie gelezen die inderdaad sterk lijkt op die van Cummins.

Ik heb het gedicht aan de dichter Menno Wigman voorgelegd. ,,Ik vind het niet zozeer een gedicht alswel een liedtekst'', was zijn reactie. Hij vond de eerste en de laatste twee regels het sterkst. Die was hij ook al eerder elders tegengekomen. De rest ('al die natuurmetaforen') kwam hem nogal inwisselbaar voor. De vertaling vond hij aardig, al had hij bezwaar tegen het sleetse rijm 'wenen-henen'.

Het lijkt mij zo'n gedicht waarvan de sterkste regels de zwakste nog lange tijd zullen overleven.

 

Gepubliceerd in:
Dag