Mof

Ewoud Sanders

Waar komt het woord mof als scheldnaam voor ‘Duitser’ nu precies vandaan? Dat vroegen verschillende lezers naar aanleiding van een vorige WoordHoek, waarin onder meer het woord Moffrika werd behandeld en waarin de geschiedenis van mof kort werd aangestipt. Hier het antwoord. Plus een reactie over uitspraakveranderingen in het Nederlands.

De geschiedenis van het woord mof bevat verschillende verrassingen. In de eerste plaats is het veel ouder dan menigeen denkt. Ik weet niet hoeveel ouderen menen dat mof van de Tweede Wereldoorlog dateert, maar een kleine steekproef leert dat er nogal wat jongeren zijn die dit denken. Zij zitten er ongeveer 429 jaar naast, want mof is in 1574 voor het eerst opgetekend.

Een tweede verrassing is dat wij dit woord uit het Duits hebben overgenomen. Het lijkt een beetje vreemd om een scheldnaam voor Duitser uit het Duits te lenen, maar toch is het zo. Onder Duitse soldaten was muff indertijd een scheldwoord voor knorrepot, mopperaar, iemand die onbeleefd, ongemanierd en zwijgzaam is. Zo iemand noemden zij ook een muffmaff. Wij verbonden deze woorden al snel met de Duitse voornaam Hans, wat combinaties opleverde als Hans Mof, Hans Mofmaf, Hans Mifmaf, Hans Mafmaf en Hans Moefmans – allemaal scheldwoorden die aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw in het Nederlands te vinden zijn.

Waren hier toendertijd dan zoveel Duitsers? Dat was inderdaad het geval. In de Gouden Eeuw had Holland een groot gebrek aan vakbekwame arbeiders. Tegelijkertijd woedde in Duitsland, van 1618 tot 1648, de 30-jarige oorlog. Een en ander leidde ertoe dat duizenden geschoolde arbeiders, vooral stukadoors, kleermakers, (suiker)bakkers en slagers, naar Holland emigreerden. Daarnaast trokken er nogal wat marskramers de grens over. Bovendien kwamen er jaarlijks duizenden ongeschoolde seizoensarbeiders uit Duitsland hier naar toe, vooral uit Westfalen. Zij bleven gemiddeld drie maanden en verdienden hun relatief hoge loon voornamelijk met grasmaaien en turfsteken. Omdat grasmaaien zo’n belangrijke plaats innam, werden ze wel hannekemaaiers genoemd, waarbij hanneke een verbastering is van ‘Johannes’.

De Duitsers hadden hier geen goede naam, maar we dachten toen heel anders over ze dan nu. De hedendaagse vooroordelen over stipte, gedisciplineerde, hardwerkende en oorlogszuchtige Duitsers dateert pas uit de tweede helft van de negentiende eeuw. In de vakliteratuur wordt dit het ‘Pruisische cliché’ genoemd. Van de zestiende tot het begin van de negentiende eeuw overheerste het zogenoemde Beierse of Zuid-Duitse type. Duitsers werden in die periode niet alleen voor mof en hannekemaaier uitgemaakt, maar ook voor knoet, (gras)poep, mier, bovenlander, pikmaaier en spekvreter.

We weten zoveel over de beeldvorming over Duitsers omdat er in de zeventiende en achttiende eeuw een stuk of twintig zogeheten ‘moffenkluchten’ zijn geschreven. De afgelopen decennia zijn daar studies over gepubliceerd door onder andere W.A. Ornée, H. Mertens-Westphalen en Leo Lucassen. Het gaat om kluchten van onder meer Isaac Vos, Samuel Coster, Thomas Asselijn, Pieter Langedijk en Pieter Bernagie met titels als ‘De gelukte list, of bedrooge mof’, de ‘Klucht van de Moff’, de ‘Klucht van de Moffin’ en ‘De dwaalende Moff’. Deze stukken waren buitengewoon populair, nog populairder dan toppers van Vondel en Bredero. Bovendien waren er allerlei anekdotes in omloop over oliedomme en bezopen hannekemaaiers. Bijvoorbeeld over enkele poepen die de weerspiegeling van de maan in een slootje aanzien voor een emmentaler, en natuurlijk in het water donderen. In een andere anekdote openen spekvreters een aangespoeld kruitvat, dat zij voor een jeneverfust aanzien, met een gloeiende pook.

Maar voor onze beeldvorming van Duitsers zijn de kluchten belangrijker geweest dan de grappen en grollen. De namen van de hoofdpersonen spreken al boekdelen. We hebben er te maken met Baron de Ossekop, Hans Koekop, Robbert Leverworst, Wessel Keutel, Wessel Poep, Hans Yzerfresser, Hans Keyenvresser, Hans Zwetser, Herr von Poederenstein en Olaf Harmensz. Propdarm. Die laatste twee zijn kwakzalvers, dat zal duidelijk zijn.

De ‘moffen’ verbeelden bijna altijd dezelfde typetjes. Het zijn huwelijksbeluste kwakzalvers die zich voor een edelman uitgeven en die tegen het eind van de klucht – meestal door een nuchtere Hollandse dienstmeid – worden ontmaskerd. Het zijn domme, onbeholpen, bedelende hannekemaaiers of soldaten en zeelui die schaamteloos over hun heldendaden opscheppen. De ‘moffin’ deugt nooit, of ze nu een echtgenote, stiefmoeder, grootmoeder of koopvrouw is.

De ‘moffen’ spreken altijd een zonderling nep-Duits dat het goed bij het Amsterdamse publiek schijnt te hebben gedaan. Zo laat Langendijk in 1712 Hans de Zwetser, die net als veel andere ‘moffen’ een afstotelijk gezicht heeft, zeggen: ,,Ich haab durch myn’ gesicht, ein kompanjie Franceezen/ Doen laufen, phoe!, pha! phoe! er liefen wie dem wind.’’

Vooral de hannekemaaiers zouden volgens onze kluchtschrijvers vreselijk hebben gestonken. Hier werd op een weinig subtiele manier melding van gemaakt. Zo laat Thomas Asselijn in 1684 een van zijn personages over de Westfaalse grasmaaiers zeggen: ,,Ze stinken of ze in gien zes dagen uit de bolster benne geweest.’’ Elders heeft hij het over een ,,vuile stinkende Westfaalse moffin’’. Andere kluchten zeggen dat ze ,,stinken als honden’’ of ,,rieken naar koestront’’.

Of deze negatieve beeldvorming tot beperkende maatregelen heeft geleid, daar zijn de deskundigen het niet helemaal over eens. Volgens de een zijn er in Holland verschillende resoluties uitgevaardigd waarin maaiers, turfgravers, dekenlopers en ketellappers werden geweerd. Maar volgens de ander is er nooit sprake geweest van grootscheepse of van overheidswege gesteunde discriminatie. In 1760 riep een Amsterdams spectatoriaal tijdschrift op de Duitsers net als de joden in een getto onder te brengen, een speciale ‘Moffenwijk’ – iets wat ons nu erg wrang voorkomt. Maar deze oproep vond helemaal geen gehoor, want in feite lukte het de Duitse immigranten om snel te assimileren. Zij waren geliefde huwelijkspartners en sommigen – zoals Brenninkmeijer, Vroom, Dreesmann en Cloppenburg – hadden veel succes in zaken.

Er is nog iets in de geschiedenis van het woord mof dat mij verrastte: wij gebruiken het nu alleen als scheldnaam voor Duitser, maar nog aan het begin van deze eeuw kon met mof net zo goed iemand uit Gelderland of Overijssel worden aangeduid. Er is zelfs een tijd geweest dat men van een Franse mof sprak. Mof was toen even een erg vaag scheldwoord. Wat dat betreft is er sinds de Tweede Wereldoorlog een hoop, eh, verbeterd.

Uitspraakveranderingen Vorige week kwam een (Rotterdamse) lezer aan bod die had gesignaleerd dat elfen tegenwoordig wordt uitgesproken als elven. Daarnaast had hij het over de ver-V-ing en ver-Z-ting van de Nederlandse uitspraak: zo had hij voorbeeld gehoord vvijftig, zzestig en medizijnen. ,,In tegenstelling tot wat de Rotterdamse lezer’’, reageerde iemand, ,,zie ik geen algemene ver-Z-ing en ver-V-ing van het Nederlands. Vandaag hoorde ik bijvoorbeeld:

Ferder
Siekenfond pakket
Fijftig
Sesensestig
So'n
Suur
Fanaf feertien jaar

Zelfs in nieuwsuitzendingen op radio en TV (meestal wat conservatiever dan bv. spelletjes en muziekprogramma's) komt dit regelmatig voor – aldus deze lezer. ,,Of het erg is, is de vraag. Ook het uitspraakverschil tussen g en ch is al vervallen (de ggristelijke partijen), en wie valt daar nog over? Zolang de veranderingen niet te snel gaan, zal het weinig problemen opleveren. Zelf heb ik nog geen patroon kunnen ontdekken in s-z, z-s, f-v en v-f veranderingen in uitspraak. Ik heb het iedee dat de plaats van letters in een woord een rol speelt: z/v aan het begin van een woord verandert meer in een s/f, terwijl een s/f in het midden van een woord verandert in een z/v. Natuurlijk zal ook een invloed zijn van regionale en stedelijke accenten, bijvoorbeeld het Amsterdamse ‘Ik sie de son in de see sakken.’’’ Ik zal later nog een terugkomen op dit soort uitspraakveranderingen.

Reacties naar sanders@nrc.nl

 

Gepubliceerd in:
Woordhoek