Een woord voor 'niet kunnen ruiken'
Terrorisme is van oorsprong een Frans woord. Maar hebben wij het in deze huidige betekenis ook uit het Frans overgenomen, of uit het Duits? En wat betekent noos en wie bedachten dit woord?
Terrorisme. In WoordHoek van afgelopen maandag was nog iets blijven liggen over het woord terrorisme. We stelden vast dat dit in de Nederlandse woordenboeken tot aan het begin van de 20ste eeuw werd gebruikt als historisch begrip voor het Schrikbewind (1793-1794) tijdens de Franse Revolutie. Dit Schrikbewind wordt in het Frans La Terreur genoemd. In 1794 is het woord terrorisme voor het eerst in het Frans aangetroffen, samen met terrorist – allemaal alleen in verband met het Schrikbewind.Volgt hieruit vanzelf dat wij terrorisme uit het Frans leenden? Nee, zo simpel ligt het niet. Ja, wij leenden terrorisme in de historische betekenis ('het schrikbewind tijdens de Fransche Revolutie') zeker uit het Frans. Maar gedurende de Franse Revolutie, die in heel Europa veel indruk maakte, werd het Franse woord terrorisme ook opgenomen in onder meer het Duits en het Engels. Daar kregen die woorden in de loop der tijd een eigen betekenis – een gangbaar taalkundig proces.
In de betekenis 'het plegen van gewelddaden door groepen of individuen met een politiek doel' is terrorisme pas in 1920 voor het eerst in het Frans opgetekend, terwijl wij het op die manier al sinds 1880 gebruikten. Dat maakt het onwaarschijnlijk dat wij die betekenis uit het Frans leenden. Uit welke taal we het wel overnamen – het Duits of het Engels – is niet zeker, maar aangezien we het woord in deze betekenis in Nederlandse teksten aanvankelijk vaak tegenkwamen in de Duitse spelling (Terrorismus), leenden we het in de moderne betekenis waarschijnlijk uit het Duits. Hetzelfde geldt voor het woord terrorist: ontstaan in het Frans, maar in de huidige betekenis waarschijnlijk geleend uit het Engels uit het Duits. Opmerkelijk is overigens dat het Vaticaan onlangs een Latijnse vertaling heeft verzonnen van terrorist. Het Latijn is de officiële taal van het Vaticaan, dat, zoals bekend, een soevereine staat binnen de grenzen van Italië is. Het Vaticaan geeft ook geregeld een Latijns woordenboek uit, waarin voor nieuwe woorden een vertaling wordt bedacht. Een 'terrorist' heet voortaan in het Vaticaan-Latijn een tromocrates. Overigens zijn ze niet altijd even vlot bij het Vaticaan. Zo is er in de nieuwste editie van het Latijnse woordenboek ook een vertaling toegevoegd voor spijkerbroek – een woord dat wij al sinds de jaren zestig kennen. In de officiële taal van het kleinste land ter wereld heet die broek voortaan: bracae linteae caeruleae.
Noos. Bestaat er een woord voor niet kunnen ruiken? Dat wilde een lezer weten. Hij schreef: ,,Mijn dochter vroeg me: 'Als je niet kunt horen ben je doof, niet kan zien ben je blind, niet kan praten ben je stom. Waarom is er geen woord als je niet kan ruiken?' Bestaat er, behalve een medische term, zo'n woord? Zelf dacht ik gelijk aan een woord als snurf maar dat is een heel persoonlijke invulling van dit geval van met mijn mond vol tanden staan.''
Tot zover de lezer. Nee, er bestaat geen 'gewoon' Nederlands woord voor 'niet kunnen ruiken'. Dat komt zonder twijfel doordat het relatief niet vaak voorkomt dat mensen niet kunnen ruiken. Als dit een vaak voorkomende of in het oog springende 'afwijking' was geweest, zoals bij doofheid, stomheid of blindheid, dat was er zonder twijfel ooit een woord voor bedacht.
En ja, er bestaat wel een medische term voor, want medici kennen ook woorden voor zeldzame gevallen. De medische term is anosmie of anosmia. In Nederland bestaat ook een Anosmie Vereniging (in Amstelveen), met een eigen website (zie www.ruikenenproeven.nl). Anosmie kan tijdelijk zijn (bijvoorbeeld door een verkoudheid) of permanent (bijvoorbeeld door een hersenbeschadiging). Bij een 'verminderd reukvermogen' spreken medici van hyposmie of hyposmia.
Vanzelfsprekend is dit hiaat in onze spreektaal eerder opgemerkt. Kees van Kooten en Wim de Bie wezen al omstreeks 1974 in de Bescheurkalender op het ontbreken van een gewoon woord voor 'niet kunnen ruiken'. Zij zaten niet bij de pakken neer maar verzonnen er zelf een, namelijk noos (zonder twijfel onder invloed van doof, stom en het Engelse nose). Onder Van Kooten en De Bie-fans bleef het woord lang bekend, maar in de algemene taal maakte het nooit opgang. Sterker nog, het zakte zover weg, dat het in 1998 nogmaals werd uitgevonden, ditmaal door Marije Fransen uit Tilburg. Fransen was indertijd verbonden aan de Design Academie in Eindhoven waar zij producten ontwikkelde 'die het ruiken aangenaam maken of de neus verfraaien'. In een persbericht maakte zij in maart 1998 wereldkundig dat zij het woord noos had bedacht voor 'niet kunnen ruiken'.
Fransen kreeg onverwacht veel publiciteit met dit woord. Er verschenen stukken over haar in de Volkskrant, in NRC Handelsblad en in het Algemeen Dagblad. Noos beleefde een korte bloei en werd door de journalisten alom aan Fransen toegeschreven, tot enkele lezers een ingezonden brief schreven. Zo schreef F.Z. Ort op 14 mei 1998 in NRC Handelsblad:
,,Met verbazing las ik het bericht dat er een neologisme is bedacht: noos. Een studente van 25 jaar claimt het woord te hebben bedacht. Ik wil haar erop wijzen dat het woord reeds meer dan twintig jaar gebruikt wordt door onze familie. Enkelen van ons lijden aan die kwaal en wij voelden ons dankbaar herkend door het Simplisties Verbond. Op de bescheurkalender uit 1973 of 1974 stond de volgende tekst: 'Iemand die niet kan zien, noem je blind, iemand die niet kan horen is doof. Maar hoe noem je iemand die niet ruiken kan? Noos?' Het spijt me verschrikkelijk voor Marije Fransen, maar toen zij nog in de zandbak speelde, hadden Koot en Bie reeds een fijne neus voor neologismen. Laat zij echter niet het ontdekkingsrecht op de term claimen. Dat berust bij anderen.''
Niels Bokhove uit Utrecht had vooral bezwaren tegen de herkomstverkaring die Marije Fransen van noos gaf. In een ingezonden brief schreef hij aan NRC Handelsblad:
,,Ontwerpster Marije Fransen heeft een nieuw woord voor geurblind (mijn woord) bedacht: noos. Ze is op dat woord gekomen via o.a. het Griekse anosmia dat 'geurblindheid' betekent. De letters nos in dat woord staan volgens haar voor 'niet'. Maar als je aan taalvernieuwing wilt doen, lijkt het mij een goede zaak als je ook iets van (klassieke) talen afweet. Want dat nos betekent helemaal niet 'niet', sterker nog, je kunt het etymologisch gezien niet eens als een woord lezen. Anosmia komt van an- en osmia en betekent letterlijk inderdaad 'niet-kunnen-ruiken'. Het Griekse voorvoegsel a- of, voorklinkers, an- betekent 'niet', osmia komt van osm = reuk. Noos heeft dus niks met het Grieks te maken en is feitelijk gewoon een fonetische weergave van het Engelse woord voor 'neus', waar op zich niets geurblinds aan is.''
Dat was het voorlopige einde van noos. Het had een veelbelovende start van geurblind(heid) kunnen zijn, want anders dan noos is dat meteen voor iedereen duidelijk, maar zo heeft het niet mogen lopen. Vooralsnog is dit gat in onze taal dus nog niet gevuld.
Reacties naar sanders@nrc.nl
