Een paradijsje in de grote stad

Machteld Gravin Van Limburg Stirum in de historische tuin Schoonoord in Rotterdam. Zij is stiefdochter van de laatste eigenaar van de tuin.
Door Arjen Schreuder

Waarover winden stedelingen zich op? Over het behoud van Schoonoord, een stil stadspark met een eeuwenoude geschiedenis.

„Een verborgen juweeltje midden in de grote stad.” Aldus de Rotterdamse burgemeester Ivo Opstelten over de historische tuin Schoonoord in het zuidwesten van de oude stad waarover onlangs een boek is verschenen. Auteur is Machteld Gravin Van Limburg Stirum. Zij bewoont zelf een van de twee voormalige tuinmanswoningen. „Ik vecht ervoor dat alles blijft zoals het was”, vertelt ze tijdens een wandeling door het park, dat vol staat met zeldzame bomen en waardevolle bouwsels. De opbrengst van het boek is bestemd voor een restauratie van een eeuwenoude scheidingsmuur in de tuin.

Machteld van Limburg Stirum is de stiefdochter van de laatste eigenaar van de tuin, bankier Jacob Mees. Hij liet de stad dit stukje natuur na door de anderhalve hectare grote tuin kort voor zijn dood in 1970 voor een symbolisch bedrag te verpachten aan de stad, in ruil waarvoor de gemeente het onderhoud verzorgt en Schoonoord voor iedereen toegankelijk is. Mees was volgens het boek een „erudiete en vooruitstrevende Rotterdammer”. Iemand die in de hongerwinter nooit bedelende mensen teleurstelde, een man ook „met een groot gevoel voor humor” die in restaurants bij het betalen de bediening zijn portefeuille placht te overhandigen met de opmerking ‘Haal er maar uit wat je nodig hebt’. Hij was ook een vader die zijn kinderen pseudo-deftige brieven schreef als zij ruzie maakten in het oude theehuis in de hoek van het park, onder speelse dreiging van een verbanning van drie dagen uit de tuin.

„Het is hier altijd een paradijs geweest”, zegt Machteld van Limburg Stirum. Ook voor het talrijke personeel waren er briefjes met opdrachten. ‘Henk, wilt gij het luciferhoutje verwijderen dat op het pad ligt van de tuinmanswoning naast de druivenkas?’

Veel overlast van de bezoekers hebben de nazaten van Mees niet. „Af en toe zit er een dronken zeeman op een bankje.”

Er wandelen medewerkers van kantoren in hun lunchpauze. Machteld van Limburg Stirum geeft rondleidingen aan tuinclubs en historische verenigingen. En om half vijf ’s middags gaat het fraaie achttiende-eeuwse smeedijzeren toegangshek op slot.

Bij de openstelling van de tuin besloot de familie moestuin, broeikassen, fruitbomen en beplanting van een zogenoemde vruchtenmuur weg te halen. De overlast van bloemenplukkers en vruchtzoekers is echter alleszins meegevallen. Een enkele keer roept Machteld van Limburg Stirum bezoekers tot de orde die met stokken walnoten uit de boom proberen te slaan. Wel heeft ze verschillen van inzicht achter de rug met enkele tuinmannen van de gemeente, zoals iemand die zij er nog net op tijd van kon weerhouden om de laatste betonnen broeikas te slopen en een geliefde prunus om te zagen. „Die man is van dit project afgehaald.”

Wat over blijft is een fraaie wildernis. De familie is trots op enkele monumentale bomen zoals twee Libanonceders, een vruchtenkelder waar jarenlang peren te drogen zijn gelegd, en ornamenten zoals een waterval die nog door Bram Warner is gemaakt, de tuinman aan wie de familie warme herinneringen bewaart, en die helaas tijdens zijn werk in de tuin plotseling het leven liet. Ook staat er een steen ter herinnering aan David Mees, een zoon van Jacob, die op Bevrijdingsdag 1945 in de lusthof door achtergebleven Duitsers werd gedood. ‘Als ik aan David denk is mijn hoofdgedachte vreugde’, staat er op de steen.