Moe? Opstaan, naar school, sporten!
Pubers zijn vaak erg moe, zegt de psycholoog. Daar moet beter op worden gelet. Maar moeheid hoeft geen ziekte te zijn, zegt de kinderarts. Opstaan!
Utrecht, 6 juni. ’s Morgens niet wakker te krijgen en de hele dag hangen en gapen. Je hoort zo vaak, zegt Maike ter Wolbeek (30), psycholoog-onderzoeker in het UMC Utrecht, dat pubers altijd maar moe zijn. Maar je hoort nooit om hoevéél pubers het gaat. En ook niet hoe moe ze zijn – en of het iets te maken heeft met hun manier van leven. „Daar is weinig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan.”
Daarom vroeg Maike ter Wolbeek 3460 pubers op zes scholen in de provincie Utrecht om vragenlijsten over zichzelf en hun leven in te vullen. Zo kwam ze er achter dat één op de vijf meisjes tussen de 12 en 18 jaar ernstig vermoeid is. Bij de jongens: één op de achttien.
Ze kwam er óók achter dat het niet uitmaakt of iemand een druk leven buiten school heeft, met feestjes en veel drank. Ook pubers die nooit uitgaan, kunnen erg moe zijn (Of misschien zijn juist die het wel). De resultaten werden gisteren gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Pediatrics.
Is dat zorgelijk, één erg moe meisje op vier die het niet zijn?
Maike ter Wolbeek: „Er zijn meisjes bij die een chronisch vermoeidheidssyndroom ontwikkelen. Het zou goed zijn om te weten of normale vermoeidheid kan overgaan in zo’n chronisch vermoeidheidssyndroom – en hoe dat dan komt. Dan kan er eerder iets aan gedaan worden.”
Meisjes met een chronisch vermoeidheidssyndroom liggen de hele dag in bed of op de bank. Ze gaan niet naar school, omdat ze zich daar te ziek voor voelen. Ze hebben hoofdpijn, buikpijn, spierpijn. En er is geen aanwijsbare oorzaak, ook geen depressie, die dat kan verklaren.
Waar komt het dan wel vandaan?
In hetzelfde nummer van Pediatrics staat ook een artikel van Elise van de Putte (49), kinderarts in het Wilhelmina Kinderziekenhuis (UMC Utrecht) en gespecialiseerd in chronische vermoeidheid bij kinderen. Zij vergeleek ouders van 40 chronisch vermoeide pubers met ouders van 36 gezonde pubers. Ze deed dat omdat haar was opgevallen dat moeders zo vaak ‘ja’ zeiden als ze op haar spreekuur vroeg of andere gezinsleden ook klachten hadden.
Wat bleek?
Bijna een kwart van de moeders van een puber met een chronisch vermoeidheidssyndroom was zelf ook ernstig vermoeid. En deze moeders hadden meer psychische problemen als angst en depressie. Wat ook bleek: hoe meer uren moeders buiten de deur werkten, hoe minder vaak hun puber chronisch vermoeid was. Maar wat oorzaak is en wat gevolg – dat kan Elise van de Putte op grond van dit onderzoek niet zeggen.
Klachten van moeders kúnnen een reactie zijn op klachten van hun kinderen, schrijft ze in Pediatrics. Andersom kan ook. Kinderen krijgen klachten doordat hun moeder klachten heeft. Elise van de Putte denkt dat de oorzaak van het chronisch vermoeidheidssyndroom gezocht moet worden in de samenhang tussen erfelijke aanleg en omgeving. „Die is zeer complex.”
Een moeder met aanleg voor het voelen van vermoeidheid en stress en een neiging om daar zwaar aan te tillen, kan die klachten bij haar dochter herkennen. Goh, meid, wat zie je er moe uit, moet je niet even liggen. „Zo bevestigt ze haar dochter in haar gedrag. Die leert denken dat vermoeidheid iets gevaarlijks is. De moeder kan daarmee een belangrijke omgevingsfactor zijn.”
Het is belangrijk te weten waarin gezonde pubers die moe zijn verschillen van pubers met een chronisch vermoeidheidssyndroom. Elise van de Putte: „Het valt me op dat gezonde pubers soms net zo moe zijn. Maar ze zeggen: ik ben te laat naar bed gegaan. Of: ik heb te hard gesport. Ze zien het niet als een symptoom van een ziekte. Ze laten zich er niet door beperken.”
Vermoeidheid is normaal bij pubers. „Dat blijkt maar weer eens uit het artikel van Maike ter Wolbeek.” Maar met zo’n boodschap kan ze niet aankomen bij een meisje met een chronisch vermoeidheidssyndroom dat bij haar op het spreekuur komt. Elise van de Putte: „Zij voelt zich ziek. Dat is voor mij het uitgangspunt voor de behandeling.”
Pubers met een chronisch vermoeidheidssyndroom krijgen gedragstherapie om minder op hun vermoeidheid te leren letten en er niet bang voor te zijn. Dat kan maanden, soms wel jaren duren.
En nee, zegt Elise van de Putte, ze ergert zich niet aan chronisch vermoeide pubers die denken dat ze niets meer kunnen. Ze ergert zich soms wel aan de ouders. „Als ze niet willen inzien dat ze aan het probleem bijdragen door hun kind zo de ruimte te geven om ziek te zijn.” Het valt haar op dat ze ook altijd met z’n tweeën komen.
Hoe zit het dan met de vaders van chronisch vermoeide pubers?
Elise van de Putte: „Uit ander onderzoek weten we dat het vaak vaders zijn die vaak denken dat ze weinig invloed hebben op hun gezondheid. Ze denken dat ziekte en gezondheid iets is dat hen overkomt.” En daardoor kunnen hun kinderen dat ook gaan denken. „Je moet die kinderen dus leren dat ze er wel invloed op hebben. Dat ze zélf iets kunnen doen om beter te worden.”
Opstaan. Naar school. Sporten.
